Het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (MinOWC), de Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) en de Associatie van Surinaamse Fabrikanten (ASFA) hebben een Public Private Partnership (PPP)-overeenkomst ondertekend.
Met de overeenkomst willen de partijen de samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven op het gebied van onderwijs en beroepsvorming structureel versterken.
De samenwerking moet ertoe bijdragen dat opleidingen beter aansluiten op de ontwikkelingen en behoeften van de arbeidsmarkt en dat jongeren en andere deelnemers aan het onderwijs beter worden voorbereid op de eisen van de arbeidsmarkt van de toekomst.
Curricula moeten beter aansluiten op arbeidsmarkt
Een belangrijk onderdeel van de overeenkomst is het gezamenlijk ontwikkelen, actualiseren en implementeren van curricula.
Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de huidige vraag vanuit het bedrijfsleven, maar ook naar toekomstige ontwikkelingen binnen verschillende sectoren.
De partijen zetten daarbij in op competentiegericht en praktijkgericht onderwijs, werkplekleren en toekomstbestendige opleidingsprogramma’s.
De gedachte daarachter is dat onderwijsinstellingen en arbeidsmarkt niet los van elkaar kunnen functioneren wanneer Suriname wil investeren in duurzame economische ontwikkeling.
Bedrijfsleven krijgt grotere rol bij onderwijsontwikkeling
Binnen de samenwerking krijgt de private sector een nadrukkelijkere rol bij de ontwikkeling en evaluatie van opleidingen. Het bedrijfsleven zal onder meer helpen om de behoeften van verschillende economische sectoren in kaart te brengen.
Ook worden relevante bedrijven en sectororganisaties betrokken bij het beoordelen en actualiseren van curricula. Daarnaast moet worden bevorderd dat studenten meer mogelijkheden krijgen om praktijkervaring op te doen binnen bedrijven.
Daarmee wordt geprobeerd de afstand tussen theorie en praktijk te verkleinen en studenten beter kennis te laten maken met de daadwerkelijke werkomgeving.
Overheid stelt kaders, bedrijfsleven brengt expertise in
Het MinOWC blijft verantwoordelijk voor het vaststellen van de kaders voor curriculumontwikkeling. Daarbij wordt samengewerkt met de private sector en wordt ruimte geboden voor deskundigheid vanuit het bedrijfsleven bij de ontwikkeling van opleidingen.
De samenwerking moet ervoor zorgen dat opleidingen niet alleen voldoen aan onderwijsinhoudelijke vereisten, maar ook daadwerkelijk relevant blijven voor de arbeidsmarkt.
Gezamenlijke werkgroep moet uitvoering bewaken
Als onderdeel van de overeenkomst wordt een gezamenlijke werkgroep ingesteld. Deze werkgroep krijgt de taak om de uitvoering en monitoring van de gemaakte afspraken te begeleiden.
Daarnaast wordt gewerkt aan het verbeteren van arbeidsmarktinformatie, het ontwikkelen van sectorale competentieprofielen, kwalificatiekaders en beroepsstandaarden.
Deze instrumenten moeten meer inzicht geven in de vaardigheden en kwalificaties die werkgevers nodig hebben en daarmee bijdragen aan een betere afstemming tussen opleiding en werkgelegenheid.
Vijf jaar voor structurele samenwerking
De PPP-overeenkomst heeft een looptijd van vijf jaar. Daarmee kiezen de betrokken partijen voor een structurele samenwerking in plaats van incidentele projecten tussen onderwijs en bedrijfsleven.
De overeenkomst onderstreept volgens de betrokken partijen de gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven om te investeren in kwalitatief, inclusief en arbeidsmarktrelevant onderwijs.
Een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt moet uiteindelijk bijdragen aan duurzame economische groei, innovatie en het creëren van werkgelegenheid.
Uitvoering moet het verschil maken
Met de ondertekening is een belangrijke stap gezet, maar het uiteindelijke succes van de samenwerking zal afhangen van de uitvoering.
De meerwaarde van een publiek-private samenwerking wordt pas zichtbaar wanneer curricula daadwerkelijk worden aangepast, bedrijven daadwerkelijk worden betrokken en studenten daadwerkelijk meer praktijkervaring kunnen opdoen.
De komende vijf jaar zullen daarom moeten uitwijzen of de afspraken leiden tot een structurele verbetering van de aansluiting tussen het Surinaamse onderwijs en de behoeften van het bedrijfsleven.






