De maatschappelijke verontwaardiging over de komst van Mennonieten naar Suriname roept een fundamentele vraag op die veel verder reikt dan landbouwgrond, verblijfsvergunningen en ontbossing.
Hoe consequent zijn wij eigenlijk wanneer het gaat om de bescherming van ons tropisch regenwoud?
Want terwijl de mogelijke ontbossing door Mennonitische landbouwgemeenschappen tot scherpe veroordelingen en eisen tot onmiddellijke uitzetting leidt, voltrekt zich elders in ons binnenland al tientallen jaren een ecologische vernietiging waarvan de omvang en gevolgen nauwelijks nog ter discussie staan. Toch lijkt de maatschappelijke gedrevenheid om daartegen op te treden aanzienlijk minder groot.
Ook de roep om buitenlandse overtreders daar met dezelfde voortvarendheid op te sporen, ter verantwoording te roepen en, waar de wet dat rechtvaardigt, uit te zetten, blijft opvallend genoeg uit.
Dezelfde wetten, dezelfde verantwoordelijkheid
Laat ik duidelijk zijn. Mennonieten die onze wetten overtreden, zonder geldige toestemming grond bezetten of onverantwoord bos vernietigen, moeten daarop worden aangesproken. Dat geldt eveneens voor Braganza en iedere andere onderneming die bij deze projecten betrokken is.
Grootschalige landbouw kan economisch aantrekkelijk zijn, maar daarmee is zij niet automatisch ecologisch verantwoord.
Het verwijderen van primair of secundair tropisch bos heeft een prijs die niet uitsluitend in dollars kan worden uitgedrukt.
Daarom behoren een onafhankelijke milieueffectbeoordeling, bescherming van bestaande gemeenschappen en aantoonbare economische meerwaarde vooraf te gaan aan iedere grootschalige ontwikkeling.
Maar laten wij dan ook de cijfers onder ogen zien. Braganza spreekt over overeenkomsten voor 34.185 hectare landbouwgrond. Dat is het beoogde projectareaal, niet de oppervlakte die daadwerkelijk is ontbost.
Daartegenover staat dat volgens satellietonderzoek van het Monitoring of the Andes Amazon Program tussen 2001 en 2024 ongeveer reeds 89.000 hectare Surinaams bos door goudwinning verloren ging.
Alleen al in 2025 kwam daar naar schatting nog eens 2.800 hectare bij. Bijna 92.000 hectare aan vastgestelde aantasting tegenover een landbouwontwikkeling waarvan de uiteindelijke omvang en gevolgen nog moeten worden beoordeeld.
Dat zijn verschillende grootheden, maar het contrast tussen de bestaande schade en de maatschappelijke aandacht verdient nadrukkelijk onze belangstelling. De een vertegenwoordigt reeds het dubbele ten opzichte van de andere.
De houtsector mag niet buiten schot blijven
Ook de houtsector vraagt om dezelfde kritische benadering. Volgens de Stichting Bosbeheer en Bostoezicht is ongeveer 2,8 miljoen hectare uitgegeven onder verschillende vormen van bosbouwrechten en vergunningen.
Jaarlijks wordt volgens haar sectorinformatie een oppervlakte van circa 100.000 hectare selectief geoogst. Dat betekent niet dat deze gehele oppervlakte wordt ontbost, want verantwoorde selectieve houtkap verschilt wezenlijk van kaalkap.
Maar het laat wel zien hoe omvangrijk de economische exploitatie van ons bos is en hoe noodzakelijk onafhankelijk toezicht, controle op houttransporten en naleving van herstel- en beheervoorschriften zijn.
Dezelfde samenleving die van Mennonieten verantwoording verlangt, behoort dat ook te eisen van iedere concessiehouder die ons nationale bosvermogen benut.
Landbouw tegenover goudwinning: een economische afweging
Het verschil tussen landbouw en goudwinning verdient bovendien een serieuze economische beoordeling. Goed georganiseerde landbouw kan gedurende tientallen jaren voedsel produceren, werkgelegenheid scheppen, landbouwtechnologie introduceren en bijdragen aan de nationale voedselzekerheid.
Denk aan kennisoverdracht, irrigatiesystemen, waterbeheer, bodemonderzoek, landbouwmechanisatie en de ontwikkeling van lokale verwerkingsbedrijven.
Die voordelen ontstaan niet vanzelf, maar kunnen door bindende afspraken en meetbare verplichtingen worden gerealiseerd.
Daartegenover staat dat goudwinning een eindige delfstof onttrekt, waarbij vooral ongecontroleerde exploitatie omvangrijke bodemschade en langdurige verontreiniging kan achterlaten. Waar kwik wordt gebruikt, reiken de gezondheidsrisico’s bovendien veel verder dan de mijnbouwlocatie zelf.
Wie betaalt de prijs van goudwinning?
Daarmee komen wij bij de mensen die dagelijks in deze sector werkzaam zijn. Wie controleert onder welke arbeidsomstandigheden goudzoekers hun werkzaamheden verrichten?
Welke bescherming genieten zij tegen blootstelling aan kwik, gevaarlijke machines, instabiele mijnputten en vervuild drinkwater? Welke medische voorzieningen zijn beschikbaar voor hen, hun gezinnen en de omliggende dorpsgemeenschappen?
En wie draagt de verantwoordelijkheid wanneer een goudwingebied uiteindelijk wordt verlaten en de oorspronkelijke leefomgeving zodanig is aangetast dat de ecologische gevolgen nog tientallen jaren merkbaar blijven?
De opbrengsten van goud kunnen aanzienlijk zijn, maar een verantwoorde economische beoordeling moet ook de langetermijnkosten van gezondheidszorg, natuurherstel en maatschappelijke ontwrichting omvatten.
Wie profiteert werkelijk van de goudsector?
Nog gevoeliger wordt het wanneer de zakelijke belangen achter deze activiteiten ter sprake komen. Het officiële Surinaamse EITI-rapport over 2023 en 2024 bevestigt dat een volledig openbaar register van uiteindelijk belanghebbenden achter ondernemingen in de winningssector ontbreekt.
Daardoor kan de samenleving onvoldoende controleren wie werkelijk profiteert van concessies en welke mogelijke belangenverstrengelingen bestaan.
Parlementariër Ronny Asabina heeft bovendien publiekelijk gewaarschuwd voor het onderverhuren van goudconcessies aan derden.
Zijn uitspraken verdienen een onafhankelijk onderzoek, maar onderstrepen vooral waarom volledige openbaarheid noodzakelijk is.
Hoeveel politieke ambtsdragers, voormalige bewindslieden, invloedrijke zakenpersonen of aan hen verbonden ondernemingen hebben rechtstreeks of indirect financiële belangen in de goudsector?
Welke concessies worden feitelijk door derden geëxploiteerd, wie ontvangt de opbrengsten en welke verplichtingen worden werkelijk nageleefd?
Dat zijn vragen die niet met vermoedens moeten worden beantwoord, maar met een openbaar, controleerbaar register van concessies, uiteindelijke belanghebbenden en eventuele politiek prominente betrokkenen.
Politieoptreden is geen eindresultaat
Ook het optreden van de overheid verdient een kritische beoordeling. Op 27 september 2026 maakte het Korps Politie Suriname bekend dat bij een operatie tegen illegale goudwinning in Sarakreek vier verdachten waren aangehouden en tien vuurwapens in beslag waren genomen.
Uit voorlopig onderzoek bleek bovendien dat buitenlandse goudzoekers door lokale Surinamers werden gefaciliteerd. Dat optreden is relevant, maar wat gebeurde er daarna? Is het gebied opnieuw geïnspecteerd? Zijn de illegale werkzaamheden definitief beëindigd?
Worden de betrokken financiers en concessiehouders onderzocht? En kunnen wij via nieuwe satellietbeelden, onafhankelijke inspectierapporten of periodieke controles vaststellen dat het overheidsoptreden daadwerkelijk resultaat heeft gehad?
Een politieoperatie is immers geen eindresultaat, maar hooguit het begin van handhaving. Zonder aantoonbare vervolgcontrole blijft voor de samenleving onduidelijk of de activiteiten zijn beëindigd of zich eenvoudigweg hebben verplaatst.
De overheid behoort daarom niet alleen bekend te maken hoeveel mensen zijn aangehouden, maar ook hoeveel illegale locaties blijvend zijn gesloten, welke vervolging heeft plaatsgevonden, wie het land is uitgezet en welke herstelmaatregelen zijn opgelegd.
Kritiek mag geen vooroordeel worden
Tegen deze achtergrond verdient ook de toon van het debat over de Mennonieten enige zelfreflectie. Kritiek op hun activiteiten is legitiem, maar mag niet ontaarden in vooroordelen over een volledige gemeenschap.
Suriname kent een bijzondere verscheidenheid aan bevolkingsgroepen die gezamenlijk onze nationale identiteit vormen.
Ook uit persoonlijke ervaring weet ik hoe gemakkelijk afkomst, uiterlijk en nationaliteit met elkaar worden verward.
Juist daarom acht ik het belangrijk dat wij mensen beoordelen op hun handelen en niet op het beeld dat wij van hun gemeenschap hebben. Dat beginsel geldt voor iedere Surinamer en voor iedere buitenlander die zich in ons land wil vestigen.
Handhaaf de wet zonder aanzien des persoons
Uiteindelijk draait deze discussie niet om de vraag of Mennonieten welkom moeten zijn ongeacht hun handelen. Zij draait om de vraag of Suriname bereid is dezelfde juridische, ecologische en maatschappelijke maatstaven op iedereen toe te passen.
Laat grootschalige landbouw uitsluitend toe wanneer de economische voordelen, milieugevolgen en rechten van bestaande gemeenschappen vooraf onafhankelijk zijn beoordeeld.
Maar onderwerp de goudwinning en houtsector tegelijkertijd aan een even grondige beoordeling, met openbaar inzicht in concessies, financiële belangen, arbeidsomstandigheden, milieuschade en daadwerkelijke handhaving.
Wie bescherming van ons regenwoud werkelijk serieus neemt, kan niet volstaan met verontwaardiging over één gemeenschap terwijl de gevolgen van andere economische activiteiten al jarenlang zichtbaar zijn.
De geloofwaardigheid van ons milieubeleid wordt niet bepaald door hoe streng de overheid tegen een bepaalde groep alleen optreedt, maar door de mate waarin zij haar eigen wetten zonder aanzien des persoons handhaaft.
Want zolang wij niet weten wie aan de vernietiging verdient, wie de schade betaalt en wie daadwerkelijk ter verantwoording wordt geroepen, blijft één ongemakkelijke vraag overeind: beschermen wij werkelijk ons regenwoud, of beschermen wij vooral de belangen die erachter schuilgaan?
Romeo R. Stienstra — Aviation Professional | Strategisch Analist
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







