Het nieuws uit Guyana verdient in Suriname veel meer aandacht dan alleen als een indrukwekkend cijfer over olierijkdom.
Guyana ontving in 2025 ongeveer US$ 2,51 miljard aan olie-inkomsten, maar trok in datzelfde jaar ongeveer US$ 2,463 miljard uit het Natural Resource Fund (NRF). Daarmee werd vrijwel de volledige jaarlijkse olieopbrengst weer aan de staatsfinanciën onttrokken.
Dat is precies het soort ontwikkeling waar Suriname vóór de start van de offshoreproductie goed naar moet kijken.
Niet om Guyana te veroordelen. Wel om ervan te leren.
Want Suriname staat voor dezelfde fundamentele vraag: wat gaan wij doen met de miljarden die straks uit onze zee komen?
Olie-inkomsten mogen geen tweede gewone staatsinkomst worden
Guyana heeft inmiddels miljarden uit olie ontvangen. Volgens het NRF-rapport bedroegen de totale inkomsten sinds de start van de olieproductie eind 2025 ruim US$ 7,57 miljard aan profit oil, aangevuld met ongeveer US$ 1,12 miljard aan royalty’s en een signing bonus.
Tegelijkertijd is er in Guyana een stevige discussie ontstaan over de vraag hoeveel van die inkomsten daadwerkelijk wordt gespaard voor toekomstige generaties.
Dat is geen theoretische discussie.
Een olieveld is eindig. De staatsbegroting daarentegen heeft de neiging steeds verder te groeien.
Daar zit het gevaar.
Wanneer olie-inkomsten eenmaal worden gebruikt om structurele overheidsuitgaven te financieren, ontstaat snel een situatie waarin de overheid steeds afhankelijker wordt van hoge olieprijzen en hoge productie.
Zodra de olieprijs daalt of de productie tegenvalt, ontstaat het probleem.
Suriname moet daarom voorkomen dat olie straks simpelweg wordt gebruikt om een steeds groter overheidsapparaat, hogere subsidies en steeds hogere recurrente uitgaven te financieren.
Guyana laat zien hoe belangrijk een sterke oliefondsregeling is
Het Guyanese NRF kent wettelijke regels voor hoeveel jaarlijks mag worden opgenomen. Die formule staat toe dat een groot deel van de eerste miljarden kan worden opgenomen: 100 procent van de eerste US$ 1 miljard, vervolgens 95 procent van de tweede miljard en daarna aflopende percentages.
Juridisch kan dat dus.
Maar de belangrijkere vraag is: is alles wat juridisch mag ook economisch verstandig?
Dat is precies de vraag die Suriname nu moet stellen.
Een oliefonds moet niet alleen bestaan omdat een wet dat voorschrijft. Het moet functioneren als een bescherming tegen politieke verleiding.
Want iedere regering zal goede redenen kunnen vinden om olie-inkomsten vandaag uit te geven.
Een nieuwe weg.
Een ziekenhuis.
Een school.
Een brug.
Sociale voorzieningen.
Ambtenarensalarissen.
Subsidies.
Maar de vraag moet steeds zijn: moet dit met tijdelijke olie-inkomsten worden betaald?
Suriname heeft al een belangrijk instrument
Suriname hoeft niet vanaf nul te beginnen.
Ons land beschikt over het Spaar- en Stabiliteitsfonds Suriname (SSFS). De wet heeft juist als doel om inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen te beheren met het oog op begrotingsstabilisatie en langetermijnsparen voor huidige en toekomstige generaties.
Vanaf 2026 moeten volgens het fiscale kader de inkomsten uit minerale hulpbronnen in het SSFS worden gestort. De jaarlijkse begroting bepaalt vervolgens hoeveel uit het fonds kan worden opgenomen, binnen de geldende fiscale regels.
Op papier is dat een belangrijk verschil met een systeem waarin olie-inkomsten rechtstreeks beschikbaar worden voor politieke uitgaven.
Maar daar zit tegelijkertijd onze grootste uitdaging.
Een goede wet is nog geen goede uitvoering.
Het IMF heeft in 2026 juist gewaarschuwd dat de juridische infrastructuur van Suriname weliswaar aanzienlijk is versterkt, maar dat de operationalisering van de fiscale regels en het SSFS nog niet volledig is afgerond. Het gaat onder meer om uitvoeringsregelingen, governance, institutionele capaciteit en de toepassing van de fiscale regels.
Dat moet vóór de grote olie-inkomsten beginnen.
Niet daarna.
Wij mogen niet wachten tot de miljarden binnenkomen
Dit is misschien wel de belangrijkste les uit Guyana.
De regels moeten worden vastgesteld voordat het geld er is.
Wanneer miljarden eenmaal op de rekening staan, ontstaat politieke druk om ze te gebruiken.
Daarom moet Suriname nu al bepalen welke inkomsten naar het SSFS gaan, onder welke voorwaarden geld eruit mag worden gehaald, wie daarover beslist en hoe parlement, samenleving en toekomstige generaties kunnen controleren wat ermee gebeurt.
Daarbij moet transparantie niet worden gereduceerd tot het publiceren van een jaarverslag.
De samenleving moet kunnen volgen hoeveel olie- en gasinkomsten binnenkomen, hoeveel wordt gespaard, hoeveel wordt opgenomen en vooral waarvoor het geld wordt gebruikt.
Dat laatste is cruciaal.
Guyana’s NRF-rapport geeft volgens Kaieteur News wel inzicht in de inkomsten en onttrekkingen, maar biedt geen specifieke uitsplitsing van hoe de olie-inkomsten uiteindelijk zijn besteed.
Suriname moet het beter doen.
Niet alleen sparen, maar investeren
Er is overigens een andere belangrijke les.
Het debat mag niet uitsluitend gaan over hoeveel geld wij moeten sparen.
De echte vraag is: wat doen wij met het geld dat wij wél mogen gebruiken?
Olie-inkomsten moeten worden omgezet in blijvende economische waarde.
Dat betekent investeren in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, energie, landbouw, technologie, ondernemerschap en productieve sectoren.
Maar ook in mensen.
Als Suriname straks miljarden ontvangt en over twintig jaar nog steeds afhankelijk is van import, olie, goud en staatsuitgaven, dan hebben wij de olierijkdom niet goed gebruikt.
Dan hebben wij een tijdelijke inkomstenstroom verbruikt.
De bedoeling moet juist zijn dat iedere oliedollar uiteindelijk helpt om een economie te bouwen die ook zonder olie sterk kan blijven.
Local Content moet onderdeel zijn van die strategie
Daar ligt voor Suriname ook een enorme kans.
Offshore olie mag niet alleen betekenen dat buitenlandse ondernemingen produceren terwijl Suriname voornamelijk royalties, belastingen en dividenden ontvangt.
De waardeketen moet zoveel mogelijk in Suriname worden opgebouwd.
Dat betekent dat Surinaamse bedrijven toegang moeten krijgen tot opdrachten, financiering, technologie, certificering en kennis.
Ook vrouwen, jongeren en ondernemers uit districten en achtergestelde gebieden moeten daadwerkelijk toegang krijgen tot deze nieuwe economische mogelijkheden.
Juist daarom is het ontbreken van een sterke en concrete Local Content-strategie een belangrijk aandachtspunt.
De olie-industrie moet niet naast de Surinaamse economie bestaan.
Zij moet de Surinaamse economie versterken.
Staatsolie heeft nu al een belangrijke positie
Suriname heeft daarbij een voordeel dat niet onderschat mag worden: Staatsolie.
Staatsolie is volledig in handen van de Staat en speelt een centrale rol in de Surinaamse olie- en energiesector.
In 2025 droeg Staatsolie samen met haar dochterondernemingen US$ 400 miljoen bij aan de staatskas.
Met de ontwikkeling van GranMorgu in Block 58 wordt die positie nog belangrijker.
Staatsolie heeft een belang van 20 procent in het offshoreproject. Daarvoor werd in 2025 een lening van US$ 1,6 miljard aangetrokken.
Dat betekent dat Suriname niet alleen moet kijken naar de inkomsten die de Staat ontvangt.
Wij moeten ook kijken naar de financiële risico’s, schulden, cashflows en toekomstige verplichtingen die samenhangen met onze deelname aan de offshoreproductie.
Olie maakt een land niet automatisch rijk. Goed financieel en institutioneel bestuur doet dat.
Suriname moet niet wachten op de eerste olie
Volgens het IMF wordt een sterke stijging van de olieproductie vanaf 2028 verwacht. Juist daarom moeten de noodzakelijke instituties en fiscale mechanismen vóór die tijd volledig operationeel zijn.
Dat betekent dat de komende periode geen tijd is voor politieke improvisatie.
Het is tijd voor institutionele voorbereiding.
Suriname moet nu al een duidelijk kader hebben voor het SSFS, fiscale regels, schuldbeheer, begrotingsdiscipline, Local Content, transparantie, contractbeheer en publieke verantwoording.
Ook moet er een nationale discussie komen over wat wij eigenlijk met onze olie-inkomsten willen bereiken.
Niet alleen tussen ministers en ambtenaren.
Maar met het bedrijfsleven, vakbonden, universiteit, maatschappelijke organisaties, jongeren, inheemse en tribale gemeenschappen en de bredere samenleving.
De Guyanese les is simpel
Guyana laat zien hoe snel olie-inkomsten kunnen veranderen in enorme begrotingsruimte.
Maar het laat ook zien hoe gemakkelijk die ruimte kan worden opgesoupeerd.
Suriname heeft nog tijd.
Dat is misschien wel ons grootste voordeel.
Wij kunnen naar Guyana kijken voordat wij zelf dezelfde keuzes moeten maken.
Wij hoeven niet te wachten tot er jaarlijks miljarden binnenkomen om vervolgens te discussiëren over hoeveel wij moeten uitgeven.
Wij kunnen nu bepalen wat wij niet willen worden.
Geen petro-staat waarin olie-inkomsten vooral de consumptie financieren.
Geen land waarin iedere regering opnieuw bepaalt wat er met de oliepot gebeurt.
Geen economie die na twintig jaar offshoreproductie nog steeds onvoldoende gediversifieerd is.
Maar een Suriname waarin olie wordt gebruikt als hefboom voor duurzame economische transformatie.
Dat zou de echte winst van GranMorgu moeten zijn.
Niet alleen hoeveel olie wij uit de zeebodem halen.
Maar hoeveel economische, sociale en institutionele waarde wij weten achter te laten wanneer de olie ooit opraakt.
Guyana geeft Suriname vandaag een waarschuwing én een kans: leer voordat je zelf miljarden ontvangt.
J. Mangru
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







