De nieuwe nationaliteitswet voor diaspora-sporters is een historische opening. Tegelijkertijd laat deze wet zien dat Suriname nog altijd onvoldoende begrijpt waar zijn grootste strategische hulpbron ligt. Die hulpbron ligt misschien niet onder de palmen van Paramaribo. Zij woont verspreid over de wereld.
Het nationale belang van de diaspora is veel groter dan de sport.
Soedamah werkt deze gedachte verder uit in zijn boek ‘Diasporavisie 2050 – Van territoriale staat naar mondiale Surinaamse natie’.
Het is een belangrijke publicatie voor iedereen die de discussie over de potentie van de diaspora vanuit inhoud, strategie en planmatigheid wil voeren.
De discussie gaat over veel meer dan sport
De discussie over de nieuwe regeling voor personen van Surinaamse afkomst in het buitenland wordt in Suriname vooral als een praktische oplossing voor de topsport gezien. De betekenis van deze wetswijziging is echter veel groter.
De wet raakt aan een fundamentele vraag. Wat verstaan wij onder de Surinaamse natie?
En waar eindigt die natie wanneer een groot deel van de mensen die zich met Suriname verbonden voelen buiten het nationale grondgebied woont?
Op 8 september 2026 heeft De Nationale Assemblée de wijziging van de nationaliteitsregels met 29 algemene stemmen aangenomen.
Daarmee is een mogelijkheid gecreëerd voor personen van Surinaamse afkomst die aan bepaalde voorwaarden voldoen om de Surinaamse nationaliteit te verkrijgen met het oog op internationale sportvertegenwoordiging. Zij hoeven daarbij niet afstand te doen van hun andere nationaliteit.
De uiteindelijke regeling is smaller geworden dan eerdere voorstellen. Een aanvankelijk bredere gedachte omvatte ook personen met bijzondere wetenschappelijke verdiensten. Uiteindelijk bleef de regeling beperkt tot de sportsector.
Op het eerste gezicht lijkt daar weinig mis mee.
Wanneer een Surinaamse sporter met een buitenlandse nationaliteit over uitzonderlijke kwaliteiten beschikt, is het begrijpelijk dat Suriname geen onnodige juridische obstakels opwerpt. Zeker wanneer die sporter Suriname internationaal kan vertegenwoordigen.
Het probleem ontstaat wanneer deze regeling wordt gezien als een structurele oplossing voor het diaspora-vraagstuk.
Dan maken wij opnieuw dezelfde denkfout die Suriname al decennialang maakt.
Wij bekijken de diaspora niet als onderdeel van de Surinaamse natie. Wij bekijken haar als een externe groep. Een groep waarvan bepaalde individuen interessant worden wanneer zij op een bepaald moment economisch, sportief, wetenschappelijk of politiek voordeel voor Suriname kunnen opleveren.
En precies daar ligt de fundamentele discussie die Suriname eigenlijk zou moeten voeren.
De sporter is niet het probleem, het beperkte denken over de diaspora is het probleem
De nieuwe wet is niet problematisch omdat Surinaamse diaspora-sporters een bijzondere mogelijkheid krijgen om Suriname te vertegenwoordigen.
Het probleem is de veel grotere vraag die deze wet zichtbaar maakt.
Waarom kan de band met Suriname voor de ene Surinamer juridisch worden hersteld wanneer hij of zij een uitzonderlijke sportprestatie kan leveren?
Waarom is diezelfde band voor andere Surinamers veel moeilijker juridisch te behouden of te herstellen?
De regeling geldt immers niet simpelweg omdat iemand van Surinaamse afkomst is. Er gelden voorwaarden. De sportieve kwaliteiten en de internationale vertegenwoordiging van Suriname spelen daarbij een rol. De wet koppelt daarmee een bijzondere route naar het Surinamerschap aan een specifieke vorm van nationaal nut.
Daarmee wordt een merkwaardige hiërarchie zichtbaar.
De Surinaamse voetballer, zwemmer, atleet of andere topsporter in de diaspora kan onder voorwaarden worden binnengehaald. Hij of zij kan immers internationaal iets voor Suriname betekenen.
Maar hoe kijken wij naar de Surinaamse arts die in Nederland een specialistische opleiding heeft gevolgd?
Hoe kijken wij naar de ingenieur die in Duitsland aan grote infrastructuurprojecten werkt?
Naar de wetenschapper die in de Verenigde Staten onderzoek doet?
Naar de ondernemer die in Canada een bedrijf heeft opgebouwd?
Naar de ICT-specialist die vanuit Europa internationale technologieprojecten uitvoert?
Of naar de professional die al tientallen jaren kennis, geld en netwerken met Suriname deelt?
Worden zij vanuit dezelfde nationale logica benaderd?
Het is juist op dit punt dat het werk van Lachman Soedamah een veel fundamentelere richting aan het debat geeft.
Hij beperkt de discussie niet tot de vraag of een Surinaamse sporter voor het nationale elftal mag uitkomen. Hij stelt een veel grotere vraag.
Wat moet Suriname op lange termijn doen met het enorme menselijke, sociale, economische en culturele kapitaal dat in de diaspora aanwezig is?
In zijn publicatie *Dubbele nationaliteit voor Surinamers: een kwestie van nationaal belang* stelt Soedamah dat het huidige nationaliteitsregime ertoe kan leiden dat Suriname de band met mensen van Surinaamse afkomst verliest. Daarmee kan ook menselijk en maatschappelijk potentieel buiten de nationale gemeenschap komen te staan.
De echte vraag is niet hoeveel Surinamers in het buitenland wonen, maar hoeveel Suriname uit die gemeenschap kan halen
De gedachte achter Soedamahs analyse verdient veel meer politieke aandacht.
Hij benadert de diaspora niet als een groep die af en toe moet worden uitgenodigd om geld te investeren. Ook niet als een groep die familie moet bezoeken of een sporter beschikbaar moet stellen.
Hij ziet de diaspora als een structureel onderdeel van de nationale ontwikkelingsstrategie.
Wanneer een aanzienlijk deel van de mensen met Surinaamse afkomst buiten Suriname woont, betekent dat niet automatisch dat Suriname deze mensen economisch of maatschappelijk kwijt is.
Het betekent vooral dat onze traditionele geografische definitie van de natie onvoldoende is om het werkelijke Surinaamse netwerk te beschrijven.
Dat inzicht is van groot belang voor een klein land als Suriname.
Een kleine binnenlandse bevolking betekent automatisch een beperkte arbeidsmarkt. Ook de kennisbasis, ondernemerschapsbasis en kapitaalbasis zijn beperkt.
Tegelijkertijd bevindt zich buiten de landsgrenzen een omvangrijke gemeenschap. Veel mensen behouden hun Surinaamse taal, cultuur, familiebanden en economische relaties.
Suriname beschikt daardoor feitelijk over een mondiale uitbreiding van zijn menselijke infrastructuur.
De vraag moet dan niet zijn hoe wij deze mensen incidenteel naar Suriname kunnen halen.
De vraag moet zijn hoe wij ervoor zorgen dat zij onderdeel blijven van de nationale economische, maatschappelijke en institutionele ontwikkeling.
Soedamah werkt deze gedachte verder uit in *Diasporavisie 2050 – Van territoriale staat naar mondiale Surinaamse natie*. Daarin beschrijft hij Suriname als meer dan alleen de territoriale staat tussen de Corantijn en de Marowijne. Hij ziet een mondiale gemeenschap van mensen met Surinaamse wortels.
Zijn voorstellen omvatten onder meer modernisering van de PSA-regeling, structurele vertegenwoordiging van de diaspora en de instelling van een Nationale Diasporaraad. Ook parlementaire vertegenwoordiging van de diaspora wordt als mogelijkheid besproken.
Dat is naar mijn mening de richting waarin het debat zou moeten bewegen.
Suriname kan daarmee de stap zetten van een territoriaal nationaliteitsdenken naar een strategisch diasporabeleid.
Kaapverdië heeft begrepen wat Suriname nog onvoldoende begrijpt
Ook Soedamahs analyse van Kaapverdië verdient bijzondere aandacht.
Kaapverdië laat zien dat een kleine staat zijn diaspora niet uitsluitend hoeft te zien als een gevolg van emigratie. De diaspora kan ook worden georganiseerd als onderdeel van de nationale ontwikkelingsstrategie.
Soedamah beschrijft hoe Kaapverdië de diaspora nadrukkelijker als onderdeel van de nationale gemeenschap behandelt.
Dubbele nationaliteit wordt daarbij niet als doel op zichzelf gezien. Het is een instrument om de band tussen de staat en zijn wereldwijde gemeenschap te behouden.
De les voor Suriname is daarom niet dat wij meer diaspora-sporters moeten zoeken.
De les is dat wij moeten ophouden met het categoriseren van Surinamers in mensen die op een bepaald moment wel en mensen die op een bepaald moment geen aantoonbare waarde hebben voor de staat.
Een topsporter kan een land internationale zichtbaarheid geven.
Maar een wetenschapper kan een universiteit versterken.
Een ondernemer kan werkgelegenheid creëren.
Een arts kan medische kennis naar Suriname brengen.
Een ingenieur kan bijdragen aan infrastructuurontwikkeling.
Een ICT-specialist kan digitale kennis en bedrijven ontwikkelen.
Een investeerder kan kapitaal mobiliseren dat binnen Suriname niet beschikbaar is.
Het nationale belang kan daarom nooit uitsluitend worden gemeten aan de hand van doelpunten, medailles of internationale publiciteit.
Het nationale belang van de diaspora is veel groter dan de sport.
Het gevaar ontstaat wanneer Suriname zijn eigen mensen alleen welkom heet wanneer zij aantoonbaar nuttig zijn
Hier raakt de discussie aan een principiële kwestie.
Een moderne natie behoort haar burgers en mensen met een aantoonbare nationale verbondenheid niet uitsluitend te waarderen op basis van economische of internationale bruikbaarheid.
Anders verandert nationaliteit langzaam van een fundamentele verbondenheid in een soort contract.
De staat beoordeelt dan hoeveel rendement iemand voor het land kan opleveren.
Dat zou een gevaarlijke ontwikkeling zijn.
De staat zou niet moeten redeneren dat iemand welkom is omdat hij een medaille kan winnen. Of omdat hij een bedrijf kan openen. Of omdat hij wetenschappelijke kennis kan brengen.
De sterkere nationale gedachte is anders.
Iemand van Surinaamse afkomst maakt deel uit van een mondiale Surinaamse gemeenschap. De staat moet vervolgens instrumenten bieden waarmee die persoon zijn of haar betrokkenheid bij Suriname kan vormgeven.
Dat moet kunnen, ongeacht beroep, inkomen, opleidingsniveau of internationale bekendheid.
Daarmee ontstaat een belangrijk onderscheid tussen nationaliteit als recht en bijdrage aan de nationale ontwikkeling als verantwoordelijkheid.
Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.
Maar het mag ook niet worden omgedraaid.
Iemand moet niet eerst aantonen dat hij economisch of sportief nuttig is voordat de staat bereid is zijn nationale verbondenheid serieus te nemen.
Suriname moet de diaspora niet alleen om geld vragen, maar om kennis, kapitaal, netwerken en ondernemerschap
De economische dimensie van deze discussie is minstens zo belangrijk als de juridische dimensie.
Suriname laat een enorme kans liggen wanneer de diaspora vooral wordt benaderd vanuit familieovermakingen en incidentele investeringen.
De echte waarde van de diaspora zit niet alleen in geld.
Het gaat ook om kennis.
Om managementervaring.
Om technologie.
Om internationale contacten.
Om ondernemerservaring.
En om toegang tot markten.
Een Surinamer die twintig jaar in Nederland een onderneming heeft geleid, brengt bij een investering in Suriname niet alleen kapitaal mee.
Hij of zij brengt ook kennis mee over financiële administratie, personeel, regelgeving, klanten, logistiek, marketing en internationale bedrijfsvoering.
Een Surinaamse wetenschapper aan een Europese of Amerikaanse universiteit kan verbindingen leggen tussen Surinaamse kennisinstellingen en internationale onderzoeksnetwerken.
Een arts kan kennis en medische standaarden introduceren.
Een ICT-specialist kan toegang bieden tot technologiebedrijven en internationale digitale ecosystemen.
Dat is menselijk kapitaal.
Suriname kan het zich niet veroorloven om dat structureel buiten zijn nationale ontwikkelingsmodel te plaatsen.
Daarom heeft Suriname geen nieuwe uitzondering nodig, maar een nationale diaspora-wet
De huidige sportwet zou moeten worden beschouwd als een eerste juridische opening.
Niet als het eindstation van het diaspora-beleid.
Het parlement heeft met de unanieme stemming laten zien dat er politieke ruimte bestaat om de nationaliteitswetgeving aan te passen wanneer daarmee een duidelijk nationaal belang wordt gediend.
Juist daarom moet de volgende stap groter zijn dan een regeling voor topsporters.
Suriname zou moeten toewerken naar een Nationale Diasporawet.
Daarin moet niet langer worden gedacht vanuit afzonderlijke uitzonderingen voor voetballers, wetenschappers of andere groepen.
Er is behoefte aan één duidelijke nationale visie.
Een visie waarin de Surinaamse diaspora structureel onderdeel wordt van de ontwikkeling van het land.
Vraagstukken rond dubbele nationaliteit, PSA, investeringen, ondernemerschap, wetenschap, onderwijs, cultuur, sport en politieke participatie zouden daarin gezamenlijk moeten worden bekeken.
Ook moet worden onderzocht hoe Surinamers in het buitenland structureel invloed kunnen uitoefenen op het nationale beleid. Dat moet uiteraard gebeuren binnen de constitutionele kaders van de Surinaamse staat.
Het idee van een Nationale Diasporaraad, zoals Soedamah dat voorstelt, kan daarbij worden uitgewerkt als een institutioneel adviesorgaan.
Zo’n orgaan kan regering en parlement adviseren over diaspora-investeringen, kennisuitwisseling, nationaliteitsbeleid en internationale economische verbindingen.
Ook de gedachte van parlementaire vertegenwoordiging van de diaspora verdient een serieus constitutioneel debat.
De omvang en het belang van de Surinaamse gemeenschap buiten het grondgebied kunnen niet langer worden genegeerd.
De politiek moet eindelijk begrijpen dat de diaspora geen verkiezingsdoelgroep is, maar een nationaal vermogen
Het fundamentele probleem met veel Surinaams beleid is dat structurele vraagstukken te vaak worden teruggebracht tot de politieke cyclus.
De diaspora wordt dan zichtbaar wanneer verkiezingen naderen.
Of wanneer er geld nodig is.
Of wanneer een internationale sportprestatie kan worden binnengehaald.
Of wanneer politici tijdens een bezoek aan Nederland of de Verenigde Staten een zaal vol Surinamers toespreken.
Daarna verdwijnt de diaspora weer uit het structurele beleidsdenken.
Dat is precies het tegenovergestelde van wat nodig is.
Een diasporastrategie moet niet afhankelijk zijn van de vraag welke politieke partij aan de macht is.
Het gaat om een nationale en demografische realiteit.
Die realiteit overstijgt meerdere generaties.
Suriname zou daarom een langetermijnvisie richting 2050 moeten ontwikkelen. Daarin moet de diaspora worden behandeld als een permanent onderdeel van de nationale ontwikkelingsstrategie.
Niet als een tijdelijke politieke achterban.
De vraag moet niet zijn hoeveel stemmen de diaspora kan leveren.
Ook niet hoeveel geld zij kan sturen.
En evenmin hoeveel sporters zij kan produceren.
De vraag moet zijn hoe Suriname zijn mondiale Surinaamse gemeenschap kan organiseren.
Hoe kunnen kennis, kapitaal, ondernemerschap, cultuur, wetenschap en politieke betrokkenheid bijdragen aan de versterking van de Republiek Suriname?
De nieuwe wet moet niet het eindpunt zijn, maar het begin van een veel groter nationaal gesprek
Suriname staat hiermee voor een keuze.
Wij kunnen doorgaan met uitzonderingen maken voor afzonderlijke categorieën. Telkens wanneer zich een concreet probleem voordoet.
De staat bepaalt dan opnieuw welke groep op dat moment voldoende nationale meerwaarde heeft voor een bijzondere juridische behandeling.
Of wij kunnen erkennen dat de Surinaamse natie groter is dan haar territorium.
De miljoenen aan menselijke relaties, kennis, familiebanden, economische verbindingen en culturele identiteit buiten Suriname zijn geen randverschijnsel.
Zij zijn een structureel onderdeel van het Surinaamse verhaal.
De nieuwe sportwet heeft daarmee onbedoeld een veel grotere politieke vraag op tafel gelegd.
Als Suriname bereid is zijn nationaliteitswetgeving aan te passen omdat een topsporter van Surinaamse afkomst belangrijk kan zijn voor het nationale belang, waarom zouden wij dezelfde fundamentele gedachte dan niet toepassen op de volledige diaspora?
De Surinaamse arts hoeft niet eerst een operatie in Paramaribo te verrichten om Surinamer te mogen zijn.
De wetenschapper hoeft niet eerst een Nobelprijs te winnen.
De ondernemer hoeft niet eerst miljoenen te investeren.
De ingenieur hoeft niet eerst een brug te bouwen.
En de sporter hoeft niet eerst een gouden medaille te winnen.
Geen van hen hoeft eerst een prestatie te leveren om zijn of haar verbondenheid met Suriname serieus genomen te zien worden.
Nationaliteit zou geen beloning moeten zijn voor bewezen prestaties.
Nationale verbondenheid behoort het uitgangspunt te zijn.
Van daaruit kunnen prestaties, verantwoordelijkheid en samenwerking ontstaan.
Daarom moeten wij de nieuwe sportwet niet afwijzen.
Wij moeten haar gebruiken als aanleiding om haar politieke beperking zichtbaar te maken.
Zij opent een deur die jarenlang gesloten is geweest.
Maar wanneer Suriname verstandig handelt, blijft die deur niet alleen openstaan voor de sporter die internationaal een doelpunt kan maken.
Dan wordt zij geopend voor de arts.
Voor de ondernemer.
Voor de wetenschapper.
Voor de ingenieur.
Voor de student.
Voor de arbeider.
Voor de kunstenaar.
Voor de gepensioneerde.
En uiteindelijk voor iedere Surinamer die buiten de landsgrenzen woont, maar zijn of haar verbondenheid met het land niet heeft verloren.
Conclusie: Suriname is geografisch klein, maar zijn natie hoeft dat niet te zijn
Wie blijft denken dat de Surinaamse natie ophoudt bij de Corantijn en de Marowijne, denkt in de grenzen van de twintigste eeuw.
De werkelijkheid van de eenentwintigste eeuw is allang verder gegaan.
De werkelijke uitdaging voor Suriname is daarom niet om een paar topsporters naar het nationale team te halen.
De uitdaging is om een mondiale Surinaamse gemeenschap te bouwen.
Een gemeenschap waarin de diaspora niet langer wordt behandeld als iemand die buiten staat.
Niet als iemand die af en toe iets mag komen brengen.
Maar als een volwaardige component van de nationale toekomst.
De sporter heeft misschien de deur geopend.
Nu moet de politiek bepalen of zij de rest van de Surinamers buiten wil laten staan.
Dr. Ashwin Ramcharan
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







