Op 3 augustus 2026 deed ik, als directeur van een onderwijsinstelling in Paramaribo, aangifte van verduistering bij de afdeling Fraude en Economische Delicten.
Meer dan tweeënhalve maand later is er geen voortgang en heb ik geen terugkoppeling ontvangen. Ook een schriftelijk rappel aan de procureur-generaal van 19 oktober jongstleden, verzonden door mijn raadsman, bleef onbeantwoord.
Datzelfde Openbaar Ministerie trad in diezelfde periode wél kordaat tegen mij op, op basis van een aangifte van 20 juli 2026.
Binnen enkele weken volgden mijn aanhouding en inverzekeringstelling. De ene aangifte, gericht tegen mij, leidde tot vrijheidsbeneming. De andere, die ik zelf deed en die bij dezelfde afdeling werd ingediend, blijft onbehandeld liggen.
Van waarneming naar aanhouding in enkele seconden
Dat het Openbaar Ministerie, wanneer het dat nodig acht, razendsnel kan optreden, bleek onlangs opnieuw. Tijdens een rechtszitting verscheen een getuige met een hanger met een jaguartand, althans een tand die op een jaguartand leek, om zijn nek.
De officier van justitie, mr. Sitaram, zag dit en gaf ter plekke opdracht om de getuige aan te houden. Over de gegrondheid van die aanhouding op zichzelf doe ik geen uitspraak; dat is niet aan mij.
Het voorval toont echter aan dat het Openbaar Ministerie, zodra het dat opportuun acht, binnen enkele seconden kan schakelen van waarneming naar vrijheidsbeneming.
Het opportuniteitsbeginsel: beleidsruimte of willekeur?
Diezelfde voortvarendheid is mij, terwijl ik al tweeënhalve maand wacht op een reactie op mijn aangifte tegen anderen, niet gegund.
Dit scherpt de vraag naar de toepassing van het opportuniteitsbeginsel aan: mag het Openbaar Ministerie zijn discretionaire bevoegdheid naar eigen inzicht inzetten, vliegensvlug tegen de één en roerloos stil tegenover de ander, zonder daarvoor enige verklaring te geven?
Het opportuniteitsbeginsel kent het Openbaar Ministerie beleidsruimte toe, maar diezelfde ruimte veronderstelt consistentie en rechtvaardiging, geen willekeur.
Wordt er met twee maten gemeten?
Daarmee dringt zich de vraag op die burgers zich vaker stellen, maar zelden rechtstreeks aan het Openbaar Ministerie durven voor te leggen: is hier sprake van klassenjustitie?
Wordt er met twee maten gemeten, afhankelijk van de positie of zichtbaarheid van de betrokkenen? Ik beantwoord die vraag niet eigenmachtig.
Maar het is aan het Openbaar Ministerie om haar overtuigend te weerleggen. Zwijgen doet dat niet; zwijgen versterkt juist de twijfel.
Dat stilzwijgen weegt zwaarder nu de procureur-generaal zelf onlangs, tijdens de installatie van vijftien rechters, nadrukkelijk sprak over de onpartijdigheid en objectiviteit van het Openbaar Ministerie. Mooie woorden alleen wekken geen vertrouwen.
Vertrouwen wordt gewonnen of verspeeld in de praktijk: in de snelheid waarmee één burger wordt aangehouden vanwege een hanger, en in de stilte waarmee een andere burger geen antwoord krijgt op een aangifte van verduistering.
Wie zich publiekelijk beroept op onpartijdigheid, moet die ook kunnen tonen wanneer daar vragen over worden gesteld. In deze kwestie is dat tot nu toe niet gebeurd.
Geen beschuldiging, maar een oproep tot uitleg
Ik beschuldig geen individuele functionaris van kwade trouw. Vertraging kan oorzaken hebben en snel optreden kan gerechtvaardigd zijn.
Maar onverklaarde vertraging, een onbeantwoord rappel en een schrijnend, herhaald contrast met voortvarend optreden in andere zaken verdienen samen uitleg, geen stilte.
Johannes Damodar Patak, LL.B., MSc.
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







