Het woord dividend klinkt aantrekkelijk. Het suggereert dat er winst is gemaakt en dat de burger daarvan mag meeprofiteren. Politici weten dat maar al te goed.
Een bedrag dat rechtstreeks aan burgers wordt gekoppeld, spreekt immers veel meer tot de verbeelding dan een ingewikkeld verhaal over begrotingen, belastingen, economische groei en overheidsfinanciën.
Rutte, Santokhi en Trump: drie verschillende politieke leiders. Drie verschillende landen. Drie verschillende economische situaties.
Maar achter deze drie voorbeelden zit één herkenbaar fenomeen: het politiek aantrekkelijk maken van economische voordelen voor burgers.
En juist daar moeten burgers kritisch blijven.
Want de belangrijkste vraag is niet hoeveel er wordt beloofd.
De belangrijkste vraag is:
Waar komt het geld vandaan? Wanneer is het beschikbaar? Is het betaalbaar? Is het structureel? En wie betaalt uiteindelijk de rekening?
Dat zijn vooral voor Suriname geen theoretische vragen.
Van Rutte naar Santokhi en Trump
In 2012 sprak de Nederlandse VVD-leider Mark Rutte tijdens de verkiezingscampagne over een verbetering van de koopkracht van werkende Nederlanders van ongeveer €1.000.
Het ging niet om een cheque van €1.000. Het ging om een financieel voordeel via fiscale maatregelen.
Later bleek dat deze belofte niet volledig kon worden waargemaakt. In 2016 bood Rutte daarvoor publiekelijk excuses aan.
Het voorbeeld laat zien hoe een ingewikkeld economisch beleid tijdens een verkiezingscampagne kan worden vertaald naar een eenvoudig en aantrekkelijk verhaal voor de kiezer.
“U gaat er €1.000 op vooruit.”
Dat blijft gemakkelijker hangen dan een uitleg over fiscale maatregelen, belastingdruk en koopkrachtontwikkeling.
Het Santokhi-dividend en de belofte van toekomstige olie
Suriname kreeg vervolgens zijn eigen variant.
Onder president Chan Santokhi werd Royalty voor Iedereen, RVI, geïntroduceerd. Het uitgangspunt was dat de bevolking rechtstreeks zou kunnen delen in toekomstige olie-inkomsten uit Block 58.
Er werd gesproken over een groeicertificaat van US$750, uitgekeerd in Surinaamse dollars, met een jaarlijkse rente van 7 procent.
Het idee achter het programma was politiek aantrekkelijk.
De olie is van Suriname. Dus de bevolking moet ervan profiteren.
Daar valt weinig tegenin te brengen.
Maar er ontstaat een belangrijke economische vraag wanneer toekomstige inkomsten worden vertaald naar een concreet financieel voordeel voordat de grootschalige productie daadwerkelijk op gang is gekomen.
Want toekomstige inkomsten zijn nog geen gerealiseerde inkomsten.
Dat is precies het verschil tussen een economische verwachting en daadwerkelijk beschikbaar geld.
Het RVI-programma is onder de regering-Simons vervolgens opgeschort voor evaluatie.
Daarmee werd opnieuw duidelijk dat een politiek aangekondigd financieel voordeel niet automatisch hetzelfde is als een gegarandeerd inkomen.
Trump en het Amerikaanse dividend
Ook in de Verenigde Staten werd een financieel dividend onderdeel van de politieke boodschap.
Volgens het aangehaalde NOS-bericht sprak president Donald Trump over een dividend van US$5.000 voor iedere volwassen Amerikaan, gekoppeld aan het behoud van een Republikeinse meerderheid in het Congres.
Op individueel niveau klinkt US$5.000 aantrekkelijk.
Maar zodra het bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal volwassen Amerikanen, verandert het perspectief.
Bij ongeveer 130 miljoen volwassenen gaat het om circa US$650 miljard.
Dan ontstaat een veel belangrijkere vraag:
Waar moet dat geld vandaan komen?
En precies daar begint verantwoord economisch denken.
Het politieke bedrag is niet hetzelfde als de economische werkelijkheid
Dat is de overeenkomst tussen deze drie voorbeelden.
Een politicus kan een bedrag noemen.
Een regering moet vervolgens aantonen hoe dat bedrag kan worden gefinancierd.
Een bedrag op papier is nog geen economische opbrengst.
Een belofte is nog geen begrotingsruimte.
En toekomstige inkomsten zijn nog geen geld dat vandaag beschikbaar is.
Daarom moeten burgers zich niet uitsluitend laten leiden door de vraag:
“Hoeveel krijg ik?”
De eerste vraag zou moeten zijn:
“Waar komt het vandaan?”
Daarna volgen de andere vragen.
Wanneer komt het beschikbaar?
Hoe lang kan het worden uitgekeerd?
Wat gebeurt er wanneer de inkomsten tegenvallen?
Welke andere overheidsuitgaven komen daardoor onder druk te staan?
En wordt het geld geïnvesteerd in iets dat ook op lange termijn waarde creëert?
Dat zijn de vragen die achter ieder politiek dividend zouden moeten staan.
Waarom dit voor Suriname extra belangrijk is
Voor Suriname is deze discussie misschien nog belangrijker dan voor Nederland of de Verenigde Staten.
Ons land staat aan de vooravond van een historische verandering.
De ontwikkeling van de offshore-oliesector kan Suriname de komende jaren aanzienlijke nieuwe inkomsten opleveren.
Dat is een enorme kans.
Maar het is tegelijkertijd een enorm risico.
Want zodra er miljarden beschikbaar komen, ontstaat ook de verleiding om snel te laten zien dat de bevolking daarvan profiteert.
Dan kan de druk ontstaan om geld rechtstreeks uit te keren.
Om subsidies te verhogen.
Om salarissen te verhogen.
Om nieuwe overheidsprogramma’s te financieren.
Om politieke beloften in te lossen.
En op korte termijn kan dat allemaal aantrekkelijk zijn.
Maar de olie blijft niet eeuwig stromen.
Suriname moet verder kijken dan het bedrag van vandaag
De belangrijkste vraag voor Suriname moet daarom niet zijn:
“Hoeveel kunnen wij iedere burger geven?”
Maar:
“Hoe zorgen wij ervoor dat de olie-inkomsten de levensstandaard van Surinamers structureel verhogen?”
Dat is een wezenlijk andere benadering.
Een eenmalige uitkering kan iemand vandaag helpen.
Maar goed onderwijs kan iemand tientallen jaren vooruithelpen.
Een goed functionerend ziekenhuis kan generaties dienen.
Een betrouwbare energievoorziening kan economische groei stimuleren.
Een goede weg kan jarenlang handel en productie ondersteunen.
Een sterke landbouwsector kan importafhankelijkheid verminderen.
Een goed opgeleide beroepsbevolking kan nieuwe bedrijven en industrieën aantrekken.
En een sterke private sector kan ook ná de olieperiode economische waarde blijven creëren.
Dat is het verschil tussen geld verdelen en rijkdom opbouwen.
Het echte dividend is wat overblijft
Kijk vooral waar het geld vandaan komt, wanneer het beschikbaar is, hoeveel ervan werkelijk kan worden uitgegeven en wat er op lange termijn van overblijft.
Suriname krijgt mogelijk een historische kans.
Maar olie op zichzelf maakt ons niet rijk.
De manier waarop wij met de olie-inkomsten omgaan, bepaalt of wij werkelijk rijker worden.
Het grootste dividend dat Suriname zichzelf kan geven, is daarom niet een cheque aan iedere burger.
Het is een land waarin toekomstige generaties kunnen zeggen:
Onze ouders en grootouders hebben de olie niet opgegeten. Zij hebben ermee een toekomst gebouwd.
D. Karamat-Ali
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







