De uitzetting van de mennonieten die eerder deze week uit het Mazonia-gebied zijn verwijderd, heeft opnieuw discussie opgeroepen over de wijze waarop de Staat zijn vreemdelingenbeleid uitvoert.
Toch moet één juridisch uitgangspunt vooropstaan: de overheid heeft niet alleen de bevoegdheid, maar ook de verantwoordelijkheid om de geldende wetgeving te handhaven.
Wanneer een rechter de vorderingen om de uitzetting tegen te houden afwijst, mag de Staat in beginsel overgaan tot uitvoering van zijn beleid en de toepasselijke wettelijke maatregelen.
Economische belangen geven geen verblijfsrecht
Suriname Green Energy Agriculture NV stapte naar de rechter om te voorkomen dat de buitenlandse landbouwers zouden worden uitgezet.
Kantonrechter Deborah Haakmat-Sniphout wees donderdag de vorderingen af. Daarbij werd duidelijk gemaakt dat het economische belang van het landbouwproject niet zwaarder kan wegen dan de bevoegdheid van de Staat om de vreemdelingenwetgeving te handhaven.
Dat is een belangrijk signaal. Investeringen, werkgelegenheid en economische ontwikkelingsplannen zijn waardevol voor Suriname, maar kunnen geen vrijbrief vormen om wettelijke toelatings- en verblijfsvoorwaarden terzijde te schuiven.
Een onderneming die buitenlandse arbeidskrachten aantrekt, moet er immers op toezien dat hun verblijf en werkzaamheden in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving.
Het risico van een investering kan niet zonder meer worden afgewenteld op de Staat door te verlangen dat de overheid haar immigratiebeleid aanpast aan de economische belangen van een project.
Een rechterlijke uitspraak is geen vrijblijvende aanbeveling
De afwijzing van het kort geding betekent dat de gevraagde voorziening om de uitzetting tegen te houden niet is toegewezen.
De Staat hoeft zijn handhavingsbevoegdheid niet automatisch op te schorten omdat de betrokken onderneming het niet eens is met de uitkomst.
Dat advocaat Derrick Veira namens de mennonieten zelf een tweede kort geding heeft aangespannen, is hun recht. Zij mogen de rechter vragen hun persoonlijke rechtspositie te beoordelen en zich beroepen op eventuele overheidstoezeggingen en ingediende verblijfsaanvragen.
Maar het enkele feit dat een tweede procedure is aangekondigd, betekent niet vanzelf dat de uitvoering van het bestaande rechterlijke oordeel wordt geblokkeerd. Daarvoor is een concrete rechterlijke voorziening of andere wettelijke grondslag nodig.
Handhaving moet consequent en geloofwaardig zijn
De overheid moet voorkomen dat de indruk ontstaat dat wettelijke regels afhankelijk zijn van de omvang van een investering, de economische belangen van een onderneming of de maatschappelijke discussie die een zaak oproept.
Een rechtsstaat verliest aan geloofwaardigheid wanneer regels voor de ene groep wel en voor de andere groep niet worden toegepast. Juist daarom moet de overheid consequent optreden, ongeacht wie bij een overtreding betrokken is.
Dat betekent overigens niet dat de Staat geen verantwoording hoeft af te leggen. Transparantie over de uitzettingsprocedure en de behandeling van individuele verblijfsaanvragen blijft noodzakelijk.
De kern is echter dat rechtsbescherming en wetshandhaving naast elkaar moeten bestaan.
De rechterlijke weg staat open voor iedereen, maar zolang geen rechterlijke beslissing de uitvoering opschort, mag de Staat zijn wettelijke bevoegdheden uitoefenen.
Het handhaven van de wet is geen willekeur; het is een essentieel onderdeel van behoorlijk bestuur.
N. Mohari
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







