Suriname heeft een politieke elite nodig die eindelijk begrijpt dat zij niet hoeft te bepalen wie Surinamer genoeg is.
Daarom moeten alle diaspora-sporters nu helpen door de nieuwe wet massaal te boycotten!
Er ontstaat een merkwaardige juridische constructie. Twee mensen kunnen exact dezelfde Surinaamse ouders, grootouders en familiegeschiedenis hebben. Toch worden zij verschillend behandeld omdat de één topsporter is en de ander bijvoorbeeld arts of ondernemer.
Een voetballer die Suriname internationaal kan vertegenwoordigen kan onder de regeling vallen. Zijn broer kan buiten deze bijzondere regeling vallen.
Ook als die broer in Nederland een bedrijf heeft opgebouwd, tientallen jaren belasting heeft betaald, familie in Suriname ondersteunt en misschien jaarlijks kapitaal naar Suriname brengt.
Daarom moeten diaspora-sporters juist nu hun historische verantwoordelijkheid nemen. Boycot deze wet. Niet omdat jullie Suriname de rug willen toekeren. Wel omdat jullie weigeren te accepteren dat Surinamerschap wordt verdeeld in eerste-, tweede- en derdeklas-Surinamers.
De nieuwe nationaliteitswet voor diasporasporters is misschien een oplossing voor een acuut sportprobleem. Tegelijkertijd creëert zij een veel groter principieel probleem.
Suriname lijkt voor het eerst wettelijk te bepalen dat de waarde van iemand met Surinaamse afkomst mede wordt bepaald door zijn sportieve prestaties.
De miljoenen die de brede diaspora al decennialang naar Suriname brengt, zijn kennelijk onvoldoende reden om dezelfde rechten serieus te regelen.
Er is iets fundamenteel mis met de nieuwe wijziging van de Surinaamse nationaliteitswet
Juist daarom zouden Surinaamse diaspora-sporters zich zeer ernstig moeten afvragen of zij überhaupt gebruik willen maken van een regeling die hen een uitzonderingspositie geeft.
Die positie krijgen zij omdat andere Surinamers van exact dezelfde afkomst die niet.
De Nationale Assemblée heeft op 8 september 2026 met 29 stemmen vóór de wijziging van de Wet op het Surinamerschap en het Ingezetenschap aangenomen.
Personen van Surinaamse afkomst kunnen onder bepaalde voorwaarden de Surinaamse nationaliteit verkrijgen om Suriname internationaal in de sport te vertegenwoordigen. Zij hoeven daarbij niet afstand te doen van hun andere nationaliteit.
De officiële uitleg van DNA presenteert dit als een overwinning voor nationale verbondenheid. Ook wordt het gezien als een manier om bestaande juridische obstakels voor diaspora-sporters weg te nemen.
Maar achter dat ogenschijnlijk positieve verhaal zit een principiële vraag. Het parlement heeft die vraag naar mijn mening onvoldoende durven beantwoorden.
Waarom moet een Surinamer van de diaspora eerst aantonen dat hij sportief van bijzondere waarde is voordat Suriname bereid is zijn nationaliteit gemakkelijker te erkennen?
Waarom is dezelfde Surinaamse afkomst blijkbaar niet voldoende voor een verpleegkundige, ondernemer, wetenschapper, ingenieur, leraar, vakman, student, gepensioneerde of gewone Surinaamse burger in de diaspora?
Dat is geen detail in deze wetgeving.
Het raakt aan de kern van wat Surinamerschap eigenlijk betekent.
Het parlement heeft Surinamers van dezelfde afkomst in verschillende categorieën verdeeld
De eerste fundamentele discriminatie zit in het feit dat deze regeling nationaliteit koppelt aan beroep en prestatie.
De nieuwe regeling geldt uitsluitend voor personen van Surinaamse afkomst die aan voorwaarden voor internationale sportvertegenwoordiging voldoen. Zij moeten Suriname bovendien een betekenisvolle meerwaarde kunnen bieden.
Daarbij wordt niet alleen naar voetbal gekeken. Het gaat om sporten waarvan de nationale bond bij het Surinaams Olympisch Comité is aangesloten.
De president krijgt uiteindelijk de bevoegdheid om een persoon aan te wijzen. Dat gebeurt op voordracht van de minister voor sport en in overeenstemming met de minister voor nationaliteitsaangelegenheden.
Daarmee ontstaat een merkwaardige juridische constructie.
Twee mensen kunnen exact dezelfde Surinaamse ouders, grootouders en familiegeschiedenis hebben. Toch worden zij verschillend behandeld omdat de één topsporter is en de ander bijvoorbeeld arts of ondernemer.
Een voetballer die Suriname internationaal kan vertegenwoordigen kan onder de regeling vallen. Zijn broer, die in Nederland een bedrijf heeft opgebouwd, kan buiten deze regeling vallen.
Zelfs als die broer tientallen jaren belasting heeft betaald, familie in Suriname ondersteunt en misschien jaarlijks kapitaal naar Suriname brengt.
Welke van deze twee is dan meer Surinamer?
Dat is precies de vraag die de politiek zichzelf had moeten stellen voordat zij deze wet unaniem aannam.
Een land kan natuurlijk specifieke regelingen maken voor sporters. Internationale sportfederaties stellen immers nationaliteitsvereisten.
Dat is ook precies de praktische aanleiding die in de parlementaire behandeling naar voren kwam.
Maar een praktische oplossing voor een sportprobleem hoeft nog niet automatisch een principieel juiste oplossing voor het nationaliteitsrecht te zijn.
De parlementaire bronnen laten bovendien zien dat het oorspronkelijke voorstel breder was. Het omvatte ook personen met bijzondere wetenschappelijke verdiensten.
Na politiek overleg werd de regeling uiteindelijk uitsluitend op sporters toegespitst.
Daarmee heeft het parlement niet gekozen voor een algemene oplossing voor de diaspora. Het koos voor een selectieve uitzondering voor één beroepscategorie.
Dat is politiek misschien handig.
Maar principieel is het zwak.
De lokale Surinaamse sporter krijgt ondertussen een boodschap die veel schadelijker is dan men beseft.
Lokale Surinaamse sporters NIET GOED GENOEG!
Er is een tweede vorm van discriminatie. Die is veel minder juridisch, maar misschien nog belangrijker.
Het gaat om de boodschap die deze wet aan de lokale Surinaamse sporter afgeeft.
De staat zegt dat zij buitenlandse Surinamers speciaal moet binnenhalen omdat zij een “bijzondere meerwaarde” kunnen leveren aan de nationale sport.
Dan ontstaat automatisch een andere vraag.
Waarom zijn de sporters die dagelijks in Suriname trainen en wedstrijden spelen blijkbaar niet voldoende?
Zij werken met gebrekkige accommodaties. Zij missen vaak professionele begeleiding. Toch proberen zij onder moeilijke omstandigheden door te breken.
De regering en het parlement zeggen weliswaar dat diaspora-sporters hand in hand moeten gaan met de structurele ontwikkeling van lokaal sporttalent.
Maar het probleem zit juist in de symboliek van de wet.
Wanneer de beste juridische oplossing voor sport buiten Suriname wordt gezocht, kan bij de sporter die hier is gebleven gemakkelijk het gevoel ontstaan dat hij eerst moet bewijzen dat hij uitzonderlijk goed is.
Pas dan neemt zijn eigen land hem serieus.
Dat gevoel van onderwaardering bestaat in Suriname al langer. Deze wet kan het onbedoeld versterken.
Een jonge Surinaamse sporter kan zich terecht afvragen waarom hij jarenlang moet trainen zonder voldoende accommodaties, professionele begeleiding, medische ondersteuning, sportwetenschap, voeding, financiering of internationale wedstrijdmogelijkheden.
Vervolgens wordt iemand uit Nederland, Amerika of een ander land met een Surinaamse achtergrond relatief snel binnengehaald zodra die internationaal interessant blijkt te zijn.
Het antwoord zou natuurlijk moeten zijn dat beide groepen elkaar versterken.
Daarvoor had het parlement echter een veel fundamentelere sportstrategie moeten ontwikkelen.
Diaspora-sporters zouden partners van lokale sporters moeten zijn. Zij mogen geen noodoplossing worden voor het tekortschieten van het binnenlandse systeem.
De grootste belediging wordt echter gemaakt aan de brede diaspora
Er is nog een derde probleem.
Dat probleem is misschien wel het meest pijnlijk. Het raakt aan de manier waarop Suriname al tientallen jaren met zijn diaspora omgaat.
De Surinaamse diaspora in Nederland, de Verenigde Staten, Canada en andere landen heeft gedurende vele decennia een sterke band met Suriname onderhouden.
Dat gebeurde niet alleen emotioneel.
Ook financieel is die band sterk.
Familieleden worden ondersteund met maandelijkse geldtransfers. Huizen worden gebouwd. Kinderen worden geholpen met opleidingen. Medische kosten worden betaald. Familiebedrijven worden ondersteund.
Tijdens moeilijke economische perioden hebben diaspora-Surinamers vaak een belangrijke financiële buffer gevormd voor gezinnen in Suriname.
Toch lijkt het politieke antwoord nu te zijn: als je een goede voetballer, atleet of andere topsporter bent, kunnen wij een bijzondere nationaliteitsregeling voor je maken.
Als je jarenlang je familie financieel ondersteunt, investeert, kennis overdraagt of simpelweg als Surinamer verbonden blijft met het land, moet je voorlopig wachten.
Dat is politiek gezien moeilijk uit te leggen.
Een diaspora van honderden duizenden mensen kan niet worden gereduceerd tot een reservoir van voetballers wanneer Suriname internationaal een sportief succes nodig heeft.
De diaspora is veel groter dan het nationale elftal.
Haar economische, intellectuele, professionele en sociale betekenis is vele malen groter dan sport alleen.
Juist vóór de aanneming van de wet werd publiekelijk betoogd dat Surinaamse afkomst geen rangorde kent. Zij zou niet afhankelijk moeten zijn van beroep, opleiding, inkomen of prestaties.
Een openbare brief van veertien Surinamers uit verschillende landen stelde dat een topsporter, arts, ingenieur, verpleegkundige, leraar, vakman, student, arbeider of gepensioneerde op grond van dezelfde afkomst niet verschillend zou moeten worden behandeld.
Dat argument verdient veel meer aandacht dan het tot nu toe heeft gekregen.
Diaspora-sporters, laat u niet gebruiken als politieke pleister
Daarom zou mijn oproep aan de diaspora-sporters heel eenvoudig zijn:
Gebruik deze wet voorlopig niet. Boycot haar als principieel signaal.
Doe dat totdat Suriname bereid is dezelfde fundamentele vraag voor de gehele diaspora op te lossen.
Dat betekent niet dat diaspora-sporters Suriname moeten afwijzen.
Ook betekent het niet dat zij niet voor de nationale vlag mogen uitkomen.
Integendeel.
Zij zouden juist moeten zeggen dat zij trots zijn op hun Surinaamse afkomst. Zij willen graag voor Suriname uitkomen.
Maar zij weigeren een bijzondere nationaliteitspositie te accepteren die gebaseerd is op het feit dat zij toevallig sportief succesvol zijn.
Daarmee zouden zij een veel krachtiger boodschap afgeven dan wanneer zij eenvoudigweg het Surinaamse paspoort aannemen.
Zij kunnen tegen parlement, president en sportbonden zeggen:
Wij willen geen voorkeursbehandeling. Wij willen gelijke behandeling.
Dat is een fundamenteel verschil.
De diaspora-sporter zou daarmee bovendien een bondgenoot kunnen worden van de Surinaamse sporter die in Paramaribo, Nickerie, Wanica, Commewijne of een ander district iedere dag probeert vooruit te komen.
In plaats van tegenover elkaar te worden gezet als “buitenlands talent” versus “lokaal talent”, kunnen zij gezamenlijk eisen dat Suriname eindelijk een serieus nationaal sportbeleid ontwikkelt.
Een beleid waarin talentontwikkeling, infrastructuur, sportgeneeskunde, opleiding, financiering, coaches en internationale competitie structureel worden geregeld.
Dit parlementaire compromis lost een sportprobleem op, maar creëert een nationaal probleem
Het meest opvallende is misschien dat vrijwel alle politieke partijen uiteindelijk dezelfde conclusie trokken.
Zij vonden dat het nationale belang met deze wet zou zijn gediend.
DNA meldt dat alle 29 aanwezige leden vóór stemden. Coalitie en oppositie kwamen na een aanvankelijk gepolariseerd debat tot een compromis.
Maar consensus is niet automatisch wijsheid.
Een parlement kan unaniem een verkeerde principiële keuze maken.
Juist daarom is het gevaarlijk wanneer politici elkaar feliciteren omdat zij “nationale eenheid” hebben bereikt.
De kernvraag blijft dan buiten beeld:
Welk soort natie willen wij eigenlijk zijn?
Een natie waarin Surinamerschap een fundamentele juridische en historische verbondenheid is die voor alle Surinamers gelijk wordt behandeld?
Of een natie waarin de staat bepaalt dat sommige Surinamers meer waarde hebben omdat zij internationaal kunnen scoren, rennen, zwemmen of voetballen?
Als wij werkelijk één Suriname willen bouwen, kunnen wij niet beginnen met het creëren van categorieën van Surinamers.
Boycot de wet daarom niet uit afwijzing van Suriname, maar uit liefde voor Suriname
De meest krachtige reactie van de diaspora-sporters zou daarom geen boosheid, belediging of politieke strijd moeten zijn.
Het zou een principiële boycot moeten zijn.
Juist vanuit verbondenheid met het land.
Zij zouden tegen president, parlement en sportbonden moeten zeggen dat zij beschikbaar zijn om Suriname internationaal te vertegenwoordigen.
Maar zij willen geen regeling die hun Surinaamse identiteit afhankelijk maakt van hun sportieve prestaties.
Surinamerschap mag geen medaille zijn die je moet verdienen.
Het zou evenmin een beloning moeten zijn voor iemand die internationaal bekendheid kan genereren.
Zeker niet wanneer een andere Surinamer met dezelfde afkomst buiten de deur blijft staan.
Suriname heeft met deze wet een praktische sportoplossing gevonden.
Maar het risico bestaat dat het land daarmee een veel groter principieel probleem creëert.
De diaspora-sporter die deze wet accepteert, krijgt misschien een paspoort.
Maar de diaspora als geheel blijft politiek en juridisch op afstand.
De lokale sporter krijgt misschien nieuwe concurrentie.
Maar nog steeds geen garantie op structurele ondersteuning.
En de Surinaamse politiek kan zichzelf feliciteren met een compromis.
Ondertussen wordt de fundamentele vraag naar gelijkwaardig Surinamerschap opnieuw naar de toekomst doorgeschoven.
Daarom moeten diaspora-sporters juist nu hun historische verantwoordelijkheid nemen:
Boycot deze wet.
Niet omdat jullie Suriname de rug willen toekeren.
Maar omdat jullie weigeren te accepteren dat Surinamerschap wordt verdeeld in eerste-, tweede- en derdeklas-Surinamers.
Want als een Surinaamse sporter werkelijk zegt “Wi bribi na krakti”, zoals tijdens de parlementaire behandeling werd aangehaald, dan moet die kracht niet alleen zichtbaar zijn wanneer een doelpunt wordt gemaakt of een medaille wordt gewonnen.
Die kracht moet juist zichtbaar zijn wanneer Surinamers gezamenlijk opstaan voor het principe dat afkomst geen rangorde kent.
Geen enkele politieke meerderheid zou het recht moeten krijgen om te bepalen welke Surinamer waardevol genoeg is om erbij te horen.
Het is deze zelfde omhooggevallen elite die het land al 51 jaar naar de knoppen helpt. Iedere vijf jaar veroorzaakt zij opnieuw Brain Drain.
In de afgelopen 51 jaar heeft zij 370 miljoen procent inflatie veroorzaakt, terwijl het land alle grondstoffen bezit waarvan men kan dromen.
Suriname heeft geen diaspora-sporters nodig die dankzij een politieke uitzondering Surinamer mogen worden.
Suriname heeft een politieke elite nodig die eindelijk begrijpt dat zij niet hoeft te bepalen wie Surinamer genoeg is.
Dr. Ashwin Ramcharan
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







