Alle ellende, monetair, economisch, vooral fraude op hoog niveau, begint en eindigt nooit bij de Centrale Bank van Suriname.
Suriname moet externe afhankelijkheid accepteren om interne onafhankelijkheid te versterken, en het lijkt alsof de NDP het inziet.
De Nederlandse Bank moet de Surinaamse Bank schoonvegen, en dat begint met lezingen. Het probleem is dat Suriname een centrale bank nodig heeft die sterk genoeg is om tegen iedere regering te zeggen: nee, dit kan financieel niet.
Ook bij de Surinaamse Centrale Bank zitten fietsers die een Boeing willen vliegen. We hebben daar geen monetaire econoom als president, maar iemand die een verzekeringspolissenverkoper was.
Wederom een “buschauffeur” in de cockpit van een kleinere Space Shuttle. Dit kan veranderen als de Nederlandse Centrale Bank de Surinaamse Centrale Bank de les gaat lezen. Want dat hebben we nodig.
Aap in de cockpit-syndroom
Wanneer een overheid tegelijkertijd spreekt over financiële hervorming en begrotingsdiscipline, maar ook geconfronteerd wordt met betalingsachterstanden en verplichtingen waarvan de financiële positie niet volledig transparant is, gaat het probleem uiteindelijk verder dan een begrotingstechnische discussie. Dan hebben wij een institutioneel probleem dat zijn basis vindt in het “aap in de cockpit-syndroom”.
Dit lijkt te gaan gebeuren onder de NDP, die een mond vol had van dekolonisatie. Er lijkt toch verstandigheid te ontstaan. De hulp, invloed en kundigheid uit Nederland zijn essentieel voor de ontwikkeling van Suriname.
Surinamers willen niets met de Diaspora-Nederlanders te maken hebben, dan maar met de autochtone Nederlanders. Als het maar gebeurt. Want het gaat om het doen van de juiste dingen.
De waarschuwing van DNB-president Olaf Sleijpen over de noodzaak van een onafhankelijke centrale bank komt op een cruciaal moment voor Suriname, omdat een land dat opnieuw wordt geconfronteerd met een torenhoge staatsschuld, betalingsachterstanden, een verzwakte munt en beperkte financiële ruimte zich niet langer kan veroorloven om alleen naar de regering te kijken, maar ook moet durven onderzoeken of het monetaire fundament van de staat sterk genoeg is om politieke ontsporing daadwerkelijk tegen te houden.
Sleijpen heeft het erin geslepen, de Nederlandse Bank moet de Surinaamse Bank schoonvegen, en dat begint met lezingen
De toespraak van Olaf Sleijpen, president van De Nederlandsche Bank, in Paramaribo op 20 augustus 2026 had bijna een symbolische betekenis, omdat hij sprak over precies datgene waar Suriname al decennialang mee worstelt: de onafhankelijkheid, geloofwaardigheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid van een centrale bank.
Sleijpen formuleerde zijn boodschap diplomatiek, zoals een centrale bankier dat behoort te doen, maar de kern was buitengewoon duidelijk: onafhankelijkheid is geen vanzelfsprekendheid, maar iets dat voortdurend moet worden verdiend en verdedigd.
In een wereld waarin geopolitieke onzekerheid, klimaatrisico’s, cyberdreigingen, technologische veranderingen en afnemend vertrouwen in instituties steeds grotere economische risico’s veroorzaken, is volgens hem een geloofwaardige centrale bank essentieel om prijsstabiliteit en financiële stabiliteit te waarborgen.
Wie deze boodschap echter naast de financiële geschiedenis van Suriname legt, kan tot een veel ongemakkelijkere conclusie komen dan de diplomatieke formuleringen van Sleijpen suggereren.
De vraag is niet uitsluitend of Suriname op papier over een onafhankelijke centrale bank beschikt, maar of die instelling in de praktijk ooit voldoende sterk is geweest om regeringen daadwerkelijk tegen zichzelf te beschermen wanneer politieke ambities, begrotingsproblemen en economische werkelijkheid met elkaar botsen. En juist daar begint het echte debat.
Een onafhankelijke centrale bank op papier is nog geen onafhankelijke centrale bank in de praktijk
De Centrale Bank van Suriname heeft formeel een buitengewoon belangrijke positie binnen de economie, omdat zij verantwoordelijk is voor de uitgifte en stabiliteit van de nationale munt, het beheer van de internationale reserves, het toezicht op de financiële sector en verschillende andere essentiële onderdelen van het monetaire en financiële systeem.
Dat betekent dat de CBvS niet zomaar één van de vele overheidsinstellingen is, maar een instelling die in belangrijke mate bepaalt hoeveel vertrouwen burgers, bedrijven en internationale investeerders in het Surinaamse financiële systeem kunnen hebben.
De Bankwet van 2022 was juist bedoeld om die onafhankelijkheid sterker juridisch te verankeren en politieke beïnvloeding van het monetaire beleid zoveel mogelijk te beperken, maar een wettelijke bepaling alleen kan natuurlijk geen institutionele cultuur creëren waarin politieke macht automatisch wordt tegengehouden wanneer zij de grenzen van financieel verantwoord beleid probeert op te zoeken.
Sleijpen maakt precies dat onderscheid wanneer hij benadrukt dat stevige wetten en statuten weliswaar een eerste verdedigingslinie vormen, maar dat onafhankelijkheid uiteindelijk ook afhankelijk is van bestuurders die hun rug recht weten te houden wanneer er van buitenaf druk wordt uitgeoefend. Dat is voor Suriname misschien wel de belangrijkste boodschap van zijn hele toespraak.
De vraag die niemand graag stelt: wie bewaakt de bewakers van het geld?
Wanneer een regering financieel ontspoort, ontstaat vrijwel altijd dezelfde verleiding: uitgaven lopen sneller op dan inkomsten, betalingsverplichtingen stapelen zich op, begrotingstekorten worden structureel en uiteindelijk wordt gezocht naar manieren om de financiële druk naar de toekomst door te schuiven.
In een economie met sterke begrotingsinstituties, een geloofwaardige munt en een onafhankelijke centrale bank bestaan er krachtige mechanismen die een dergelijke ontwikkeling kunnen afremmen, maar in een financieel kwetsbare economie kan de centrale bank juist onder druk komen te staan om de gevolgen van politiek beleid te absorberen.
Dan ontstaat het gevaar dat de centrale bank niet langer de instelling is die de regering tegen zichzelf beschermt, maar een onderdeel wordt van het systeem waarmee politieke problemen uiteindelijk worden doorgeschoven naar de munt, de belastingbetaler en toekomstige generaties.
Suriname heeft in het verleden voldoende ervaring opgedaan met de gevolgen van monetair en financieel wanbeleid om deze waarschuwing niet langer als theoretische economische wetenschap te behandelen.
De discussie over de huidige staatsschuld maakt die kwestie opnieuw actueel, want volgens de cijfers die het ministerie van Financiën in 2026 presenteerde, bedroeg de uitstaande staatsschuld in juni ongeveer USD 4,7 miljard, oftewel circa 119 procent van het bbp.
Dit terwijl tegelijkertijd betalingsachterstanden bij staatsinstellingen en nutsbedrijven bestaan en de staat maandelijks ongeveer USD 2 miljoen beschikbaar stelt aan de SLM, terwijl actuele jaarverslagen van de luchtvaartmaatschappij volgens de minister niet bij Financiën beschikbaar zijn.
Wanneer een overheid tegelijkertijd spreekt over financiële hervorming en begrotingsdiscipline, maar ook geconfronteerd wordt met betalingsachterstanden en verplichtingen waarvan de financiële positie niet volledig transparant is, gaat het probleem uiteindelijk verder dan een begrotingstechnische discussie. Dan hebben wij een institutioneel probleem dat zijn basis vindt in het “aap in de cockpit-syndroom”.
Goud kan een munt versterken, maar alleen wanneer politici er niet bij kunnen
Daarmee komen wij bij een tweede element dat veel serieuzer onderdeel zou moeten worden van het nationale monetaire debat: de goudreserve van Suriname.
Suriname beschikt over een natuurlijke rijkdom die gedurende decennia een belangrijke bron van buitenlandse valuta is geweest, maar het land heeft nooit op consistente wijze een langetermijnstrategie ontwikkeld waarbij een substantieel deel van die natuurlijke rijkdom wordt vertaald in een structurele monetaire buffer voor toekomstige generaties.
Dat betekent niet dat goud een magisch middel is waarmee ieder financieel probleem kan worden opgelost, want goud kan geen slecht begrotingsbeleid, corruptie, inefficiëntie of structurele overheidstekorten repareren, maar een professioneel beheerde goudreserve kan wel een belangrijk onderdeel vormen van een bredere internationale reservepolitiek en bijdragen aan vertrouwen en financiële weerbaarheid.
De discussie zou daarom niet moeten worden gereduceerd tot de vraag of Suriname zijn reserves uitsluitend in goud of uitsluitend in buitenlandse valuta moet aanhouden, maar zou moeten gaan over de optimale samenstelling van reserves, waarbij goud, liquide buitenlandse valuta en andere hoogwaardige reserveactiva gezamenlijk een strategische buffer vormen.
Het fundamentele probleem is echter niet de samenstelling van de reserve. Het fundamentele probleem is dat Suriname nooit consequent een financiële cultuur heeft ontwikkeld waarin natuurlijke rijkdom systematisch wordt omgezet in duurzame monetaire kracht.
Waarom de relatie met De Nederlandsche Bank veel verder zou kunnen gaan
Tegen deze achtergrond krijgt het bezoek van Olaf Sleijpen aan Suriname een extra betekenis. De samenwerking tussen De Nederlandsche Bank en de Centrale Bank van Suriname bestaat immers al langer en heeft betrekking op kennisuitwisseling en technische ondersteuning op verschillende terreinen, waaronder governance, toezicht, integriteit en monetair beleid.
Klaas Knot benadrukte tijdens een eerder bezoek aan Suriname eveneens het belang van samenwerking tussen centrale banken, juist omdat financiële stabiliteit in een kleine en kwetsbare economie niet uitsluitend door nationale grenzen kan worden beschermd. Maar misschien moeten wij nu een stap verder durven denken.
Niet omdat Suriname zijn monetaire soevereiniteit moet opgeven, maar omdat financiële soevereiniteit zonder financiële discipline uiteindelijk weinig meer kan zijn dan een politieke slogan.
Wanneer een land formeel volledig verantwoordelijk is voor zijn eigen monetaire beleid, maar tegelijkertijd structureel moeite heeft om de politieke onafhankelijkheid van zijn centrale bank te beschermen, kan het verstandig zijn om externe institutionele waarborgen veel sterker te organiseren.
Suriname zou daarom moeten onderzoeken of De Nederlandsche Bank gedurende een bepaalde overgangsperiode een veel verdergaande operationele en institutionele rol kan krijgen bij onderdelen van het functioneren van de CBvS.
Bijvoorbeeld op het gebied van reservebeheer, governance, risicomanagement, compliance, monetair beleid en financieel toezicht, waarbij de Surinaamse centrale bank juridisch volledig Surinaams blijft, maar bepaalde cruciale functies worden ondersteund door een instelling die beschikt over tientallen jaren ervaring met onafhankelijk monetair beleid. Dat zou geen gewone technische assistentie zijn. Het zou een institutionele veiligheidsriem zijn.
Suriname moet externe afhankelijkheid accepteren om interne onafhankelijkheid te versterken
Dit voorstel zal ongetwijfeld worden bekritiseerd als een aantasting van de nationale soevereiniteit, maar die kritiek verdient een serieus antwoord, omdat de vraag uiteindelijk niet moet zijn wie formeel achter het bureau van de centrale bank zit, maar of de centrale bank daadwerkelijk in staat is om tegen de regering te zeggen dat financieel beleid onverantwoord, onhoudbaar of monetair gevaarlijk is.
Wat is uiteindelijk meer soeverein: een centrale bank die volledig zelfstandig opereert maar onvoldoende bescherming heeft tegen politieke druk, of een Surinaamse centrale bank die juridisch en institutioneel Surinaams blijft maar tijdelijk gebruikmaakt van een veel sterker extern systeem van professionele waarborgen?
Juist omdat Suriname al jaren technische samenwerking met buitenlandse centrale banken kent, zou een veel verdergaande vorm van institutionele samenwerking niet als een vernedering moeten worden beschouwd, maar als een strategische keuze om het eigen financiële systeem sterker te maken.
Wie werkelijk financieel onafhankelijk wil zijn, moet eerst de instituties bouwen die politieke onverantwoordelijkheid kunnen weerstaan
De olie kan de laatste kans zijn, maar ook de grootste financiële verleiding, en daarom moet Nederland, of het nou de Nederlandse Bank is of de Nederlandse Overheid, Suriname kan het niet alleen. Laat de hulp van een ontwikkeld land toe.
De waarschuwing van Sleijpen over de toekomstige olie-inkomsten verdient daarom misschien nog meer aandacht dan zij tijdens zijn toespraak heeft gekregen.
Hij verwees naar de Nederlandse ervaring met aardgas, waarbij sterk stijgende overheidsinkomsten uiteindelijk bijdroegen aan hogere consumptieve uitgaven, inflatie, een reële appreciatie van de gulden, verlies van concurrentiekracht en economische problemen, de zogenoemde Dutch disease.
Zijn boodschap aan Suriname was dat toekomstige olie-inkomsten vooral moeten worden ingezet voor het versterken van het toekomstige groeivermogen van de economie en niet eenvoudigweg voor het verhogen van de consumptieve overheidsuitgaven.
Dat is een cruciale waarschuwing, vooral omdat de financiële situatie van de staat vandaag al weinig ruimte laat voor fouten.
Een regering die nu moeite heeft om haar verplichtingen tijdig te betalen, kan morgen gemakkelijk in de verleiding komen om toekomstige olie-inkomsten te behandelen alsof zij een blanco cheque zijn, waarna nieuwe leningen, nieuwe uitgaven en nieuwe verplichtingen worden aangegaan op basis van inkomsten die pas later daadwerkelijk beschikbaar komen.
Dan ontstaat opnieuw hetzelfde mechanisme: lenen omdat olie eraan komt, uitgeven omdat olie eraan komt en uiteindelijk de olie gebruiken om oude schulden en nieuwe verplichtingen te betalen. Dat is geen economische ontwikkeling. Dat is het voorfinancieren van politieke consumptie met de rijkdom van toekomstige generaties.
De harde conclusie: Suriname kan het niet alleen en heeft Nederland nodig, begin bij de Surinaamse bank
Het meest interessante aan de toespraak van Sleijpen is daarom uiteindelijk niet zijn analyse van inflatie, maar zijn nadruk op vertrouwen.
Een centrale bank moet volgens hem iedere dag opnieuw haar gezag verdienen door ervoor te zorgen dat geld zijn waarde behoudt, financiële instellingen betrouwbaar functioneren, economisch onderzoek degelijk en onafhankelijk is en de bank transparant verantwoording aflegt aan samenleving en politiek. Onafhankelijkheid en transparantie zijn volgens hem twee kanten van dezelfde medaille.
Daarmee komt Suriname voor een fundamentele keuze te staan. Het probleem is niet dat Suriname geen centrale bank heeft. Het probleem is dat Suriname een centrale bank nodig heeft die sterk genoeg is om tegen iedere regering te zeggen: nee, dit kan financieel niet.
Daarom moet de discussie over de toekomstige positie van de CBvS, de goudreserve en een mogelijke veel intensievere samenwerking met DNB niet worden gevoerd als een discussie over nationale trots, maar als een discussie over financiële overleving.
Suriname moet zijn goudreserve professioneel en strategisch opbouwen, toekomstige olie-inkomsten institutioneel beschermen tegen politieke consumptie, begrotingsdiscipline afdwingbaar maken, de onafhankelijkheid van de centrale bank daadwerkelijk versterken en buitenlandse expertise daar waar nodig structureel inbedden.
Want een land dat zijn natuurlijke rijkdom verkoopt, zijn inkomsten uitgeeft, zijn tekorten financiert met nieuwe leningen en vervolgens verwacht dat de centrale bank de munt stabiel houdt, bouwt geen economische toekomst maar schuift de rekening door naar een volgende generatie.
Suriname staat daarom voor een keuze die veel groter is dan de keuze tussen goud, olie, dollars of SRD: kiest het land eindelijk voor instituties die sterk genoeg zijn om politici te stoppen wanneer zij het geld van de toekomst beginnen uit te geven?
Als het antwoord opnieuw negatief is, kan de toekomstige olie uiteindelijk niet de reddingsboei worden waarop Suriname al jaren wacht, maar juist de grootste financiële verleiding uit de geschiedenis van het land.
En misschien is dat wel de belangrijkste les uit de woorden van Olaf Sleijpen: een centrale bank is pas werkelijk onafhankelijk wanneer de politiek haar onafhankelijkheid niet alleen op papier accepteert, maar in de praktijk niets kan doen wanneer die bank zegt dat het geld er eenvoudigweg niet is.
Dr. Ashwin Ramcharan
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







