• Voorpagina
  • Suriname
  • Lifestyle
  • Nederland
  • Gezondheid
  • Opinie
    • Column
  • Entertainment
  • Sport
  • Adverteren
  • Contact
Geen resultaat
Bekijk alle
Geen resultaat
Bekijk alle
  • Voorpagina
  • Suriname
  • Lifestyle
  • Nederland
  • Gezondheid
  • Opinie
  • Column
  • Entertainment
  • Sport
  • Adverteren
  • Contact

Suriname kampioen in oprichten instituten, maar waar blijft het resultaat?

GFC Nieuws Opinie door GFC Nieuws Opinie
4 november 2026 12:05
in Opinie
Ephata Mijnals, directeur UMA.

Ephata Mijnals, directeur UMA.

Suriname heeft op 2 november in Genève zijn vierde nationale mensenrechtenrapportage gepresenteerd tijdens het Universeel Periodiek Onderzoek (UPR) van de VN-Mensenrechtenraad.

Onder leiding van minister Harish Monorath heeft de Surinaamse delegatie verantwoording afgelegd over de mensenrechtensituatie in de periode 2021–2026. Maar liefst 68 landen hebben aanbevelingen gedaan om de mensenrechtenbescherming in Suriname te verbeteren.

Op papier lijkt het allemaal behoorlijk indrukwekkend. Er worden wetten aangenomen, commissies ingesteld, raden aangekondigd en nieuwe instituten in het vooruitzicht gesteld. Maar de vraag die steeds opnieuw gesteld moet worden, is: wat merkt de burger daarvan?

Suriname heeft namelijk een hardnekkig probleem. We zijn bijzonder goed in het instellen van commissies en het oprichten van instituten, maar veel minder goed in het daadwerkelijk operationeel maken ervan. Er wordt veel aangekondigd, er worden plechtige toespraken gehouden en er worden verwachtingen gewekt.

Vervolgens blijft het stil. En ondertussen blijven de problemen waarvoor deze voorzieningen in het leven zijn geroepen gewoon bestaan.

Het Kinderombudsinstituut: een wet, een lancering, maar nog geen functionerende instelling

Neem het Kinderombudsinstituut Suriname. De bescherming van kinderen is geen luxe en evenmin een onderwerp waarmee politieke partijen zich alleen tijdens verkiezingen of internationale bijeenkomsten moeten profileren.

Kinderen behoren tot de meest kwetsbare groepen in onze samenleving. Zij zijn afhankelijk van volwassenen, ouders, verzorgers, scholen, instellingen en de overheid om hun rechten te beschermen.

Juist daarom was de komst van een Kinderombudspersoon noodzakelijk. Een onafhankelijke instelling die toezicht houdt op de naleving van kinderrechten, klachten kan ontvangen en onderzoeken, misstanden kan signaleren en de overheid en andere betrokken instanties ter verantwoording kan roepen, is van wezenlijk belang.

Mis dit niet:

Wie haalde de Mennonieten onder valse voorwendselen naar Suriname?

Een paspoortwet uit emotie: hoe Suriname het Surinamerschap wél goed regelt

De Wet Kinderombudspersoon werd op 28 november 2024 door De Nationale Assemblée aangenomen en trad op 1 januari 2025 in werking.

Er werd veel tamtam gemaakt over deze belangrijke stap. Er was aandacht voor de lancering en de verwachtingen waren hooggespannen.

Maar tijdens de recente mensenrechtenbeoordeling in Genève moest Suriname opnieuw erkennen dat de instelling nog niet operationeel is.

Inmiddels zijn we ruim anderhalf jaar verder sinds de inwerkingtreding van de wet. Er wordt nog gewerkt aan de organisatorische en administratieve voorbereidingen.

Wat betekent dit voor een kind dat thuis wordt mishandeld? Voor een minderjarige die op school wordt gepest of seksueel geïntimideerd?

Voor kinderen die in een opvangtehuis verblijven waar hun veiligheid, ontwikkeling en welzijn niet voldoende worden gewaarborgd? Waar kunnen zij terecht wanneer de instanties die hen zouden moeten beschermen tekortschieten?

Een Kinderombudspersoon moet meer zijn dan een naam op papier of een kantoor met een naambord. De instelling moet daadwerkelijk bereikbaar zijn, klachten kunnen behandelen, onderzoek kunnen doen en aanbevelingen kunnen afdwingen of ten minste overtuigend onder de aandacht van verantwoordelijke instanties kunnen brengen.

Een kind heeft niets aan een instituut dat alleen op papier bestaat.

Toezicht op kindertehuizen: wie controleert de controleurs?

Een ander voorbeeld is het toezicht op opvanginstellingen en kindertehuizen. Al jaren worden we geconfronteerd met berichten over misstanden, gebrekkige begeleiding, onveilige omstandigheden en tekortschietende bescherming van kinderen in instellingen die juist een veilige omgeving zouden moeten bieden.

De Wet Opvanginstellingen voorziet in toezichtstructuren, waaronder toezichtraden. Maar wat is de feitelijke meerwaarde daarvan wanneer de controle op kindertehuizen nog steeds onvoldoende functioneert?

In maart 2026 werd vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting erkend dat het toezicht kampt met ernstige beperkingen.

De controleafdeling zou slechts acht medewerkers hebben om landelijk toezicht te houden. Er was bovendien sprake van een gebrek aan vervoersmiddelen, terwijl niet eens alle tehuizen bij het ministerie bekend of geregistreerd zouden zijn. Ook waren de toezichtraden nog niet volledig ingevuld.

Dan moeten we ons afvragen: wat hebben we aan wetten, raden en toezichtstructuren als de overheid niet eens voldoende capaciteit heeft om te controleren of kinderen veilig worden opgevangen?

Het gaat hier niet om een administratieve tekortkoming. Het gaat om kinderlevens. Een kind dat in een tehuis wordt geplaatst, moet erop kunnen vertrouwen dat de Staat erop toeziet dat het veilig is, onderwijs ontvangt, medische zorg krijgt en niet wordt blootgesteld aan mishandeling, verwaarlozing of uitbuiting.

De overheid kan zich niet verschuilen achter het bestaan van een wet of een toezichtraad. Het gaat om de daadwerkelijke uitvoering.

Wie controleert de instellingen? Hoe vaak vinden inspecties plaats? Wat gebeurt er met klachten? Welke sancties volgen wanneer misstanden worden vastgesteld? En wie wordt verantwoordelijk gehouden wanneer een toezichthouder zijn werk niet doet?

Zolang deze vragen onbeantwoord blijven, is het moeilijk om te spreken van effectieve kinderbescherming.

Nu opnieuw een Nationaal Mensenrechteninstituut: wat wordt deze keer anders?

Tijdens de UPR-beoordeling is ook de oprichting van een onafhankelijk Nationaal Mensenrechteninstituut aan de orde gekomen. De regering streeft ernaar dit instituut in 2027 operationeel te hebben.

Laat mij duidelijk zijn: Suriname heeft zo’n instituut nodig. Een onafhankelijk mensenrechteninstituut kan een belangrijke rol vervullen bij het monitoren van de naleving van mensenrechten, het onderzoeken van structurele problemen, het adviseren over wetgeving en overheidsbeleid, het behandelen of doorgeleiden van klachten en het aanspreken van de Staat op zijn verplichtingen.

Het bestaande Bureau Mensenrechten binnen de overheid heeft een andere positie en taak. Het is vooral betrokken bij de voorbereiding en coördinatie van internationale rapportages.

Een onafhankelijk instituut moet juist in staat zijn om ook kritisch naar het handelen van de overheid zelf te kijken.

Maar daar zit precies het probleem: wat garandeert dat het nieuwe instituut niet hetzelfde lot ondergaat als andere voorzieningen die met veel verwachtingen zijn aangekondigd, maar vervolgens onvoldoende functioneren?

De meerwaarde van een Nationaal Mensenrechteninstituut zit niet in de oprichtingsakte, de installatie van een bestuur of een ceremonie met internationale gasten.

De meerwaarde zit in de onafhankelijkheid, de deskundigheid, de bevoegdheden, de financiële middelen en vooral de bereidheid om ook de overheid kritisch ter verantwoording te roepen.

Een instituut dat afhankelijk is van politieke goodwill, politieke benoemingen of jaarlijkse financiële gunsten van de overheid die het moet controleren, loopt het risico zijn onafhankelijkheid te verliezen.

Daarom moet vanaf het begin duidelijk zijn hoe de benoemingsprocedure wordt ingericht, welke deskundigheid vereist is, hoe de financiering wordt gegarandeerd en welke waarborgen voorkomen dat politieke belangen de werkzaamheden beïnvloeden.

De internationale Paris Principles bieden hiervoor belangrijke richtlijnen. Onafhankelijkheid moet niet alleen in de wet staan, maar ook in de praktijk zichtbaar zijn.

Politieke benoemingen zijn geen garantie voor deskundigheid

Een van de structurele problemen in Suriname is dat de samenstelling van raden, commissies en besturen te vaak wordt beïnvloed door politieke verhoudingen.

Het risico is dan dat niet de noodzakelijke deskundigheid, ervaring en onafhankelijkheid doorslaggevend zijn, maar politieke verbondenheid, loyaliteit of de verdeling van posities.

Dat is funest voor instellingen die juist onafhankelijk toezicht moeten houden.

Een mensenrechteninstituut kan niet geloofwaardig functioneren wanneer de mensen die toezicht moeten houden, hun positie in belangrijke mate aan politieke gunsten te danken hebben.

Een Kinderombudspersoon moet niet afhankelijk zijn van de politieke leiding wanneer diezelfde politieke leiding mogelijk onderwerp is van een onderzoek of een kritische aanbeveling.

Hetzelfde geldt voor toezichtraden bij kindertehuizen. Daar zijn deskundigheid op het gebied van kinderrechten, jeugdzorg, pedagogiek, recht, maatschappelijk werk en toezicht noodzakelijk. Het gaat niet om het vullen van stoelen, maar om het beschermen van mensen.

We moeten daarom af van de gedachte dat iedere instelling een verlengstuk van de politieke machtsverhoudingen moet zijn. Publieke functies zijn geen beloningen voor politieke loyaliteit. Ze brengen verantwoordelijkheid met zich mee.

Grondenrechten: al jaren praten, terwijl gemeenschappen op erkenning wachten

Nergens wordt het verschil tussen politieke beloften en daadwerkelijke uitvoering misschien zo duidelijk als bij de collectieve grondenrechten van Inheemse en Tribale volken.

Al decennialang vragen deze gemeenschappen om wettelijke erkenning van hun traditionele woon- en leefgebieden, collectieve eigendomsrechten, rechtspersoonlijkheid en daadwerkelijke zeggenschap over hun grondgebieden.

Het gaat niet om een gunst van de overheid. Het gaat om fundamentele rechten, om erkenning van gemeenschappen die generaties lang in en van deze gebieden leven en hun cultuur, tradities en bestaansmiddelen daaraan ontlenen.

Het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens heeft in 2015 in de zaak Kaliña en Lokono tegen Suriname geoordeeld dat de Staat onder meer de collectieve rechten van deze gemeenschappen moet erkennen, hun traditionele gebieden moet afbakenen en beschermen en hun effectieve participatie bij besluitvorming moet waarborgen.

Bijna elf jaar later is de uitvoering van dit vonnis nog steeds niet volledig gerealiseerd. Het wetsontwerp over de collectieve rechten van Inheemse en Tribale volken is nog in behandeling bij De Nationale Assemblée.

Ondertussen blijven vraagstukken rond concessies, mijnbouw, houtkap en andere economische activiteiten in traditionele leefgebieden bestaan.

Gemeenschappen willen niet slechts achteraf worden geïnformeerd over besluiten die hun leefomgeving raken. Zij willen daadwerkelijk worden betrokken bij besluiten die hun grond, cultuur, bestaanszekerheid en toekomst beïnvloeden.

Ook het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (FPIC) moet serieus worden genomen. Participatie mag geen formaliteit zijn waarbij gemeenschappen worden uitgenodigd om naar reeds genomen besluiten te luisteren. Het moet gaan om betekenisvolle betrokkenheid en daadwerkelijke invloed.

Het in mei 2026 gelanceerde Grondenrechtenproject 2026–2030 kan een bijdrage leveren aan het proces. Maar ook hier geldt: een project, een werkgroep of een nieuwe overlegstructuur is geen vervanging voor wettelijke erkenning en uitvoering.

Inheemse en Tribale gemeenschappen hebben geen behoefte aan nog meer beloftes. Zij hebben behoefte aan rechtszekerheid, bescherming van hun gebieden en erkenning van hun collectieve rechten.

Internationale rapportages zijn geen mensenrechtenbeleid

De presentatie in Genève was belangrijk. Het is positief dat Suriname internationale verdragen ratificeert, de doodstraf uit het strafrecht heeft geschrapt en stappen zet om de rechterlijke capaciteit te versterken. Ook de internationale erkenning van culturele diversiteit verdient aandacht.

Maar internationale waardering voor beleidsvoornemens mag niet worden verward met daadwerkelijke verbetering van de mensenrechtensituatie.

De UPR is geen wedstrijd in het presenteren van mooie beleidsdocumenten. Het is een mechanisme waarbij landen worden beoordeeld op hun mensenrechtenverplichtingen en aanbevelingen ontvangen om tekortkomingen aan te pakken.

Wanneer 68 landen aanbevelingen doen, moet dat niet alleen worden gezien als een diplomatiek moment, maar vooral als een opdracht aan de Staat.

Wat hebben burgers aan internationale verdragen als de uitvoering achterblijft? Wat hebben kinderen aan kinderbeschermingswetgeving als de verantwoordelijke instelling niet operationeel is?

Wat hebben Inheemse en Tribale gemeenschappen aan rechterlijke uitspraken als de Staat deze niet volledig uitvoert? En wat heeft de samenleving aan een mensenrechteninstituut dat mogelijk pas in 2027 operationeel wordt, wanneer vooraf niet duidelijk is hoe de onafhankelijkheid en slagkracht ervan worden gegarandeerd?

Mensenrechten worden niet beschermd door rapportages alleen. Ze worden beschermd door instellingen die functioneren, wetten die worden uitgevoerd en verantwoordelijke functionarissen die aanspreekbaar zijn.

Stop met instituten oprichten zonder resultaatverantwoording

Suriname moet dringend een andere benadering kiezen. Voordat een nieuw instituut, een commissie of een raad wordt opgericht, moet duidelijk zijn welk concreet probleem daarmee wordt opgelost, welke bevoegdheden de instelling krijgt, wie verantwoordelijk is voor de uitvoering, hoeveel middelen beschikbaar zijn en binnen welke termijn resultaten moeten worden bereikt.

Bestaande instellingen moeten eerst worden geëvalueerd. Wat hebben zij bereikt? Welke klachten zijn behandeld? Welke aanbevelingen zijn opgevolgd? Welke misstanden zijn aangepakt? Welke tekortkomingen zijn blijven bestaan en waarom?

Die informatie moet openbaar en controleerbaar zijn. Ook moet duidelijk worden wie verantwoordelijk is wanneer een instelling niet functioneert.

Anders blijven we hetzelfde patroon herhalen: een probleem wordt vastgesteld, een commissie wordt ingesteld, er volgt een rapport, er wordt een nieuwe structuur aangekondigd en vervolgens verdwijnt de kwestie langzaam uit de publieke belangstelling.

Het Nationaal Mensenrechteninstituut mag niet het volgende project worden waarmee Suriname internationaal goede sier maakt, terwijl de bevolking er in de praktijk weinig van merkt.

De regering, De Nationale Assemblée en de betrokken ministeries moeten begrijpen dat institutionele versterking niet begint bij een installatieceremonie.

Het begint bij politieke wil, deskundigheid, onafhankelijke benoemingen, voldoende financiering en controleerbare resultaten.

Suriname heeft geen tekort aan commissies, raden, wetten of instituten. Suriname heeft een tekort aan effectieve uitvoering, onafhankelijk toezicht en verantwoordelijkheid.

Het wordt tijd dat we niet langer meten hoeveel instellingen we hebben opgericht, maar hoeveel mensen daadwerkelijk door die instellingen worden beschermd.

Want uiteindelijk gaat het niet om het bestaan van een Kinderombudsinstituut, een toezichtraad of een Nationaal Mensenrechteninstituut.

Het gaat om het kind dat veilig moet kunnen opgroeien, de burger die zijn rechten moet kunnen afdwingen en de gemeenschap die niet langer hoeft te vechten voor erkenning van haar grondgebied.

Een instituut dat niet functioneert, beschermt niemand. En mensenrechten die alleen op papier bestaan, zijn voor de burger geen rechten maar loze beloften.

Ephata Mijnals

UMA

Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.

Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud

ShareTweetSendSend

Blijf op de hoogte

Mennonieten
Opinie

Wie haalde de Mennonieten onder valse voorwendselen naar Suriname?

maisha neus
Opinie

Een paspoortwet uit emotie: hoe Suriname het Surinamerschap wél goed regelt

Suriname wordt vergiftigd door brandstichters en de overheid kijkt toe. Foto: AI
Column

Inwoners Suriname worden vergiftigd door brandstichters en de overheid kijkt toe

Regering blokkeert salarissen van 1.448 afwezige ambtenaren
Column

Ook vermogende Surinaamse mannen slachtoffer van vrouwen die liefde faken voor geld

surinam airways flight crew stewardess
Column

SLM zou een voorbeeld moeten nemen aan KLM en sneakers toestaan voor cabinepersoneel

Importstop Jin Chan is slechts een eerste stap
Opinie

Jin Chan stopgezet: waarom moest er eerst een milieu-incident plaatsvinden?

Nieuws uit Suriname | gfcnieuws.com

© 2026 GFC Nieuws

GFC Nieuws is een toonaangevend Surinaams mediahuis, gevestigd in Paramaribo. Sinds 2010 brengen wij dagelijks betrouwbaar nieuws, actualiteiten en lifestyle-artikelen met focus op Suriname en de Surinaamse gemeenschap wereldwijd. Onze redactie bestaat uit ervaren journalisten en columnisten, actief in zowel Suriname als Nederland.

  • Contact
  • Word redacteur
  • Colofon

Sociale media

Geen resultaat
Bekijk alle
  • Voorpagina
  • Suriname
  • Lifestyle
  • Nederland
  • Gezondheid
  • Opinie
    • Column
  • Entertainment
  • Sport
  • Adverteren
  • Contact

© 2026 GFC Nieuws