De stijging van seksueel overdraagbare aandoeningen in Suriname zou ons veel meer zorgen moeten baren dan alleen de vraag hoeveel gevallen van gonorroe of syfilis er zijn geregistreerd.
Wanneer gezondheidsprofessionals aangeven dat deze infecties steeds vaker worden vastgesteld en dat er zelfs gevallen zijn onder kinderen van 13 en 14 jaar, hebben we te maken met een maatschappelijk probleem dat niet langer kan worden weggestopt achter schaamte, stilzwijgen of het idee dat “kinderen nog kinderen zijn”.
Want als een 13- of 14-jarige wordt geconfronteerd met een seksueel overdraagbare infectie, moeten wij ons als samenleving afvragen wat hierachter zit.
Welke informatie hebben deze kinderen? Waar kunnen zij terecht met vragen? Wie leert hen over grenzen, lichamelijke integriteit, seksualiteit en de gevolgen van seksueel contact? En misschien nog belangrijker: waar waren de volwassenen?
Niet alleen een medisch probleem
Het is gemakkelijk om een stijging van gonorroe en syfilis te bekijken als een probleem van de gezondheidszorg. Testen, behandelen en voorlichting geven. Maar daarmee kijken we slechts naar een deel van het probleem.
SOA’s zijn ook een maatschappelijk vraagstuk. Ze raken gezinnen, scholen, jongeren, opvoeding en de manier waarop wij met seksualiteit omgaan.
Een kind dat op jonge leeftijd seksueel actief is, heeft niet alleen medische informatie nodig. Het heeft begeleiding nodig.
Het moet weten dat het “nee” mag zeggen, dat niemand recht heeft op zijn of haar lichaam en dat seksualiteit gepaard gaat met verantwoordelijkheid, toestemming en mogelijke gevolgen.
En daar wringt het.
In Suriname praten we nog steeds veel te moeilijk over seksualiteit met onze kinderen. Ouders schamen zich. Kinderen zoeken informatie op internet. Scholen lopen soms op eieren. En ondertussen gaat de werkelijkheid gewoon door.
Stilte beschermt onze kinderen niet
Er bestaat soms angst dat praten over seksualiteit jongeren juist zou aanmoedigen om seksueel actief te worden. Maar zwijgen maakt jongeren niet onwetend op een veilige manier. Het zorgt er vooral voor dat zij hun informatie elders zoeken.
Het internet is inmiddels een van de belangrijkste bronnen waar jongeren antwoorden vinden op vragen die volwassenen niet met hen durven bespreken. Maar internet kent geen leeftijdsadequate begeleiding, geen context en geen garantie dat de informatie betrouwbaar is.
Een kind dat niet met een ouder, leerkracht, schoolverpleegkundige of andere vertrouwenspersoon kan praten, blijft met vragen zitten. En een jongere die onvoldoende weet over bescherming en risico’s, kan kwetsbaarder worden voor infecties en andere gevolgen.
Daarom moeten wij af van het idee dat seksuele voorlichting een ongemakkelijk onderwerp is dat we zolang mogelijk moeten vermijden.
13 en 14 jaar moet voor ons een alarmsignaal zijn
Dat er gevallen van gonorroe en syfilis worden vastgesteld bij 13- en 14-jarigen, zou niet mogen leiden tot veroordeling van deze kinderen. Het zou juist een alarmsignaal moeten zijn voor volwassenen.
We moeten willen weten wat er speelt.
Zijn deze kinderen voldoende voorgelicht? Is sprake geweest van vrijwillig seksueel contact? Is er sprake van druk, manipulatie, grooming, misbruik of een ongelijke machtsverhouding?
Zijn ouders op de hoogte? Hebben scholen voldoende mogelijkheden om signalen op te vangen? En beschikken gezondheidsdiensten over voldoende capaciteit om jongeren laagdrempelig en vertrouwelijk te begeleiden?
Niet ieder geval zal hetzelfde verhaal hebben. Juist daarom is een zorgvuldige benadering noodzakelijk.
Een geïnfecteerde jongere heeft medische zorg nodig, maar mogelijk ook bescherming, psychosociale begeleiding en een veilige volwassene die luistert zonder onmiddellijk te veroordelen.
Ook ouders moeten uit hun comfortzone
De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de overheid of de school.
Ouders moeten bereid zijn om moeilijke gesprekken met hun kinderen te voeren. Niet pas wanneer er een probleem is, maar voordat het probleem zich aandient.
Een gesprek over seksualiteit hoeft geen expliciete seksuele instructie te zijn. Het kan beginnen met iets eenvoudigs: jouw lichaam is van jou. Niemand mag je aanraken op een manier die je niet wilt.
Je mag altijd “nee” zeggen. Je mag vragen stellen. Je kunt altijd naar mij toe komen. En als je ooit iets hebt meegemaakt waar je bang of onzeker over bent, hoef je daar niet alleen mee te blijven lopen.
Dat zijn geen gesprekken die kinderen aanmoedigen om seksueel actief te worden. Het zijn gesprekken die kinderen leren zichzelf te beschermen.
Gezondheidszorg kan niet achter de feiten aanlopen
De gezondheidszorg heeft eveneens een belangrijke opdracht. Als het aantal geregistreerde SOA’s stijgt, moeten we niet alleen meer behandelen. We moeten ook begrijpen waarom de stijging plaatsvindt.
Wie worden geïnfecteerd? In welke leeftijdsgroepen? Waar bevinden zich de grootste risico’s? Hoe bereiken we jongeren? Hoe gemakkelijk kunnen zij zich laten testen? Hoe wordt omgegaan met partners van geïnfecteerde personen? En worden jongeren na behandeling voldoende begeleid?
Voorlichting moet bovendien niet alleen bestaan uit campagnes die jongeren vertellen dat zij “voorzichtig moeten zijn”. Preventie moet begrijpelijk, praktisch en toegankelijk zijn.
Ook scholen kunnen hierin een belangrijke rol spelen, mits zij worden ondersteund met goede programma’s, deskundige begeleiders en duidelijke protocollen.
We moeten stoppen met beschamen
Misschien is dat wel een van de grootste obstakels.
Zolang een jongere bang is dat een ouder hem of haar zal uitschelden, een school zal veroordelen of de omgeving zal roddelen, zal die jongere minder snel hulp zoeken.
Schaamte geneest geen gonorroe. Stilte behandelt geen syfilis. En veroordeling voorkomt geen nieuwe besmetting.
Wat wel helpt, zijn betrouwbare informatie, vroegtijdige signalering, testen, behandeling, bescherming en gesprekken waarin jongeren zich veilig genoeg voelen om eerlijk te zijn.
Dat betekent overigens niet dat we seksuele activiteit op zeer jonge leeftijd moeten normaliseren. Integendeel. We moeten kinderen beschermen en hen leren wat gezonde grenzen, toestemming en verantwoordelijkheid betekenen.
Dit is het moment om wakker te worden
De cijfers moeten ons niet alleen doen schrikken. Ze moeten ons in beweging brengen.
Wanneer gonorroe en syfilis toenemen en gezondheidswerkers zelfs gevallen onder 13- en 14-jarigen signaleren, is dat een boodschap die wij niet mogen negeren.
Dit is het moment voor ouders om met hun kinderen te praten. Voor scholen om voorlichting serieus te nemen. Voor gezondheidsdiensten om jongeren beter te bereiken.
Voor beleidsmakers om preventie structureel te financieren. En voor de samenleving als geheel om seksualiteit niet langer uitsluitend als een onderwerp van schaamte te behandelen.
Want achter ieder cijfer zit een mens. Een kind, een jongere, een ouder, een gezin.
En misschien moeten we onszelf daarom een veel ongemakkelijkere vraag stellen dan: “Waarom stijgen de SOA-cijfers?”
Wat hebben wij als volwassenen nagelaten om deze kinderen beter te beschermen?
Als wij die vraag eerlijk durven beantwoorden, kunnen we misschien voorkomen dat de volgende waarschuwing niet over 13- en 14-jarigen gaat, maar over nog jongere kinderen.
UMA Legal Aid & Marketing
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







