De aangekondigde loonsverhoging van 15 procent voor landsdienaren wordt door velen verwelkomd. Na jaren van koopkrachtverlies, stijgende prijzen en een inkomen dat steeds minder lijkt te betekenen aan het einde van de maand, is een verbetering van het salaris voor veel werknemers geen overbodige luxe.
Maar achter het goede nieuws schuilt een ongemakkelijke vraag die steeds nadrukkelijker op tafel komt: wie gaat de rekening uiteindelijk betalen?
Binnen De Nationale Assemblée (DNA) bestaat de vrees dat de overheid, na de verhoging van de salarissen, zal proberen de financiële ruimte te creëren door de brandstofsubsidie af te bouwen of zelfs af te schaffen en daar begint het echte maatschappelijke debat.
Een loonsverhoging die met de ene hand komt en met de andere wordt teruggenomen
Een salarisverhoging klinkt aantrekkelijk zolang we uitsluitend naar het bedrag op de loonstrook kijken. Maar koopkracht wordt niet bepaald door het salaris alleen. Het gaat om wat iemand met dat salaris daadwerkelijk kan kopen.
Als de overheid 15 procent meer loon uitkeert, maar tegelijkertijd brandstof fors duurder maakt, kunnen de voordelen van die verhoging snel verdampen.
Duurdere brandstof betekent immers niet alleen een hogere rekening bij de pomp. Transportkosten stijgen, goederen worden duurder, bus- en taxitarieven kunnen onder druk komen te staan en uiteindelijk betaalt vrijwel iedere burger mee.
De vraag is daarom niet alleen of ambtenaren meer salaris krijgen. De fundamentele vraag is: hoeveel blijft daarvan over wanneer de kosten van het dagelijks leven opnieuw omhooggaan?
De brandstofsubsidie kan niet eeuwig een financieel vangnet zijn
Tegelijkertijd moet ook worden erkend dat brandstofsubsidies geen structurele oplossing zijn. Een overheid die jarenlang brandstofprijzen kunstmatig laag houdt, neemt een steeds groter financieel risico wanneer de internationale olieprijzen stijgen of de staatsfinanciën onder druk komen te staan.
Een subsidie kost geld. En dat geld moet ergens vandaan komen.
Daarom is het niet onredelijk dat er wordt gekeken naar de houdbaarheid van de brandstofsubsidie. Wat wél problematisch zou zijn, is wanneer burgers eerst een loonsverhoging wordt voorgespiegeld en vervolgens via hogere brandstofprijzen, belastingen en andere prijsstijgingen het grootste deel daarvan weer wordt afgenomen.
Dan wordt de 15 procent vooral een boekhoudkundige loonsverhoging, terwijl de reële koopkracht nauwelijks verbetert.
Wie betaalt de rekening van slecht financieel beleid?
Hier ligt een veel fundamentelere kwestie.
Surinamers zijn de afgelopen jaren vaker geconfronteerd met maatregelen die afzonderlijk misschien verdedigbaar lijken, maar gezamenlijk een zware druk leggen op huishoudens. Belastingen omhoog, tarieven omhoog, prijzen omhoog en ondertussen wordt van burgers gevraagd om offers te brengen.
Maar ergens moet ook de vraag worden gesteld: hoeveel offers kan een bevolking nog dragen?
Wanneer de overheid structureel meer uitgeeft dan zij kan dragen, mag het antwoord niet automatisch zijn dat de burger opnieuw dieper in de portemonnee moet tasten.
Een loonsverhoging van 15 procent voor ambtenaren is op zichzelf geen economisch probleem als daar een solide financiële dekking tegenover staat.
Het wordt wél een probleem wanneer de overheid geen duidelijk antwoord kan geven op de vraag hoe die verhoging duurzaam wordt gefinancierd.
DNA moet verder kijken dan de pompprijs
De bezorgdheid binnen DNA verdient daarom serieus debat. Niet omdat iedere subsidie per definitie goed is, maar omdat het afschaffen van een subsidie economische gevolgen heeft die veel verder reiken dan de automobilist.
Een hogere brandstofprijs werkt door in vrijwel de hele economie. De bakker betaalt meer voor transport. De winkelier betaalt meer om goederen aan te voeren. De ondernemer ziet zijn bedrijfskosten stijgen. De consument betaalt uiteindelijk een hogere prijs.
Voor mensen met een laag of middeninkomen kan zo’n kettingreactie bijzonder hard aankomen.
Daarom zou een eventuele hervorming van de brandstofsubsidie niet mogen worden benaderd als een simpele begrotingsmaatregel.
Het moet onderdeel zijn van een breder sociaal-economisch beleid waarin wordt gekeken naar koopkracht, openbaar vervoer, transportkosten, voedselprijzen en de positie van kwetsbare huishoudens.
De echte vraag: hoeveel is 15 procent werkelijk waard?
De regering kan straks terecht zeggen: we hebben de ambtenaren 15 procent meer gegeven.
Maar de burger kan vervolgens terecht vragen: wat heb ik daar in de praktijk van overgehouden?
Als iemand SRD 15.000 verdient en daar 15 procent bijkomt, stijgt het inkomen met SRD 2.250. Maar als tegelijkertijd brandstof, voedsel, vervoer, huur en andere basisuitgaven aanzienlijk duurder worden, kan die verhoging al snel grotendeels worden opgeslokt.
Daarom moet het succes van deze maatregel niet worden gemeten aan de hand van het percentage op papier, maar aan de hand van de reële koopkracht van gezinnen.
Geen politiek succes als de burger uiteindelijk verliest
De regering verdient erkenning wanneer zij probeert de positie van werknemers te verbeteren. Maar een loonsverhoging mag geen politiek succes worden genoemd als de financiering ervan uiteindelijk leidt tot nieuwe lasten voor dezelfde samenleving.
Wat Suriname nodig heeft, is geen beleid waarbij de overheid voortdurend van het ene financiële gat naar het andere beweegt.
Er moet structureel worden gekeken naar overheidsuitgaven, belastinginkomsten, efficiëntie, verspilling, staatsbedrijven, productie, export en economische groei.
Pas wanneer de economie sterker wordt, ontstaat er ruimte om lonen structureel te verhogen zonder dat de burger via andere kanalen opnieuw de rekening krijgt gepresenteerd.
De discussie over de brandstofsubsidie is daarom veel groter dan de vraag of benzine straks duurder wordt.
Het gaat uiteindelijk om de vraag of de Surinaamse burger er werkelijk op vooruitgaat.
Want 15 procent meer salaris is mooi.
Maar als de kosten van het leven vervolgens met 20 procent stijgen, heeft de burger geen koopkrachtwinst gekregen. Dan heeft hij vooral een hoger bedrag op zijn loonstrook gekregen om dezelfde rekening te kunnen betalen.
En precies daar moet DNA kritisch op blijven.
N. Mohari
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







