Voormalig minister van Natuurlijke Hulpbronnen Regilio Dodson heeft zich uitgesproken ten gunste van de mennonieten die momenteel onderwerp zijn van een felle maatschappelijke en politieke discussie over hun activiteiten in het Surinaamse binnenland.
Zijn opstelling komt op een moment waarop de regering, bij monde van minister Stanley Soeropwairo van Grondbeleid en Bosbeheer, heeft aangekondigd maatregelen te zullen nemen nadat een eerder gesteld ultimatum aan de betrokken groep is verstreken.
Regering spreekt van ordening van het achterland
Soeropwairo heeft benadrukt dat het optreden van de regering volgens hem niet gericht is tegen de mennonieten als groep, maar tegen illegale activiteiten, met name waar het gaat om houtkap en het gebruik van gronden zonder de vereiste vergunningen.
Volgens de regering heeft de betrokken groep bij onderzoek niet kunnen aantonen over een staatsvergunning voor houtkap te beschikken waarmee vervolgens grootschalige landbouwactiviteiten zouden mogen worden uitgevoerd.
De kwestie is daarmee uitgegroeid tot een debat over de grenzen van landbouwontwikkeling, bosbeheer, grondgebruik en de bevoegdheden van de Staat.
Dodson kiest een andere benadering
Tegenover de regeringslijn staat nu de positie van Dodson, die de mennonieten juist verdedigt. Zijn interventie is opmerkelijk omdat hij zelf in het verleden minister van Natuurlijke Hulpbronnen was en zich vanuit die functie bezighield met het beheer en de bescherming van natuurlijke hulpbronnen.
Dodson heeft in het verleden bovendien een duidelijke positie ingenomen tegen illegale activiteiten in de goud- en mijnbouwsector.
Zijn huidige bemoeienis met de mennonieten kan daarom worden gezien als een oproep om de kwestie niet uitsluitend vanuit handhaving te benaderen, maar ook te kijken naar de afspraken en verwachtingen die tussen de Staat en de betrokken groep zijn ontstaan.
Een oude discussie over staatsafspraken
De mennonietenkwestie draait in belangrijke mate om een eerder gesloten overeenkomst tussen de Staat en de betrokken groep.
De regering stelt dat aan die overeenkomst voorwaarden waren verbonden en dat daaruit geen onbeperkt recht op houtkap of grootschalige landbouw voortvloeit.
De mennonieten hebben daarentegen aangegeven dat zij rechten ontlenen aan de afspraken die met de overheid zijn gemaakt.
Daarmee ontstaat een fundamentele juridische vraag: welke rechten zijn daadwerkelijk aan de groep toegekend en welke voorwaarden waren daaraan verbonden?
Dat is een vraag die niet uitsluitend met politieke verklaringen kan worden beantwoord.






