In mijn vorige artikel schreef ik over de intentieverklaring die vijf ministers ondertekenden voor betere inclusie van kinderen met een beperking in Suriname.
Ik stelde dat de aanpak tekortschiet zolang infrastructuur, transport en een samenhangend beleid ontbreken. Maar er is een nog fundamentelere vraag die gesteld moet worden: klopt wat de overheid doet eigenlijk wel met het verdrag dat Suriname zelf heeft ondertekend?
Het antwoord is: deels niet. En de reden daarvoor zit in iets wat weinig mensen kennen, maar dat voor de doelgroep van levensbelang is: het Facultatief Protocol.
Eerst even terug: wat is dat verdrag eigenlijk?
In 2017 ratificeerde Suriname het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Beperking, ook wel het CRPD genoemd.
Ratificeren betekent: je verbindt je er officieel en juridisch aan. Suriname heeft daarmee beloofd dat mensen met een beperking dezelfde rechten hebben als ieder ander burger, op het gebied van onderwijs, werk, zorg, toegankelijkheid, en deelname aan de samenleving.
Dat klinkt goed. Maar een belofte is alleen zo sterk als de mogelijkheid om die af te dwingen.
Wat is het Facultatief Protocol en waarom ontbreekt het?
Bij het CRPD hoort een apart document: het Facultatief Protocol. Dit protocol regelt één cruciaal ding: het recht van een individu om een klacht in te dienen bij het VN-Comité voor de Rechten van Personen met een Beperking, als zijn of haar rechten door de eigen overheid worden geschonden.
Stel: een moeder in Paramaribo vraagt al jaren om een toegankelijke schoolplek voor haar kind met een beperking. De overheid reageert niet, of onvoldoende.
Zonder het Facultatief Protocol staat zij nergens. Met het protocol kan zij – nadat zij alle mogelijkheden in Suriname heeft uitgeput – haar zaak voorleggen aan een onafhankelijk internationaal comité. Dat comité kan Suriname dan aanspreken en aanbevelingen doen.
Suriname heeft het verdrag wel ondertekend, maar het Facultatief Protocol niet. Dat betekent dat de rechten in het verdrag wel op papier bestaan, maar dat een burger van Suriname geen enkele internationale juridische weg heeft als die rechten worden genegeerd.
Het verschil in gewone taal
Om het concreet te maken: stel je voor dat je een arbeidscontract hebt, maar er staat nergens in geschreven wat er gebeurt als je werkgever zich er niet aan houdt. Je kunt niet naar de rechter. Je kunt niemand aanspreken. Het contract bestaat, maar het beschermt je niet echt.
Zo zit het ook met het CRPD zonder het Facultatief Protocol. Het verdrag is het contract. Het protocol is de rechtbank. Suriname heeft het contract, maar geen rechtbank.
Is de intentieverklaring dan in lijn met het verdrag?
Dit is een eerlijke vraag, en het antwoord is: gedeeltelijk, maar op belangrijke punten niet.
Het CRPD is gebaseerd op een heel specifieke gedachte: mensen met een beperking zijn geen ontvangers van hulp of gunsten, zij zijn dragers van rechten.
Beleid moet dan ook niet ‘voor’ hen worden gemaakt, maar ‘met’ hen. Het verdrag spreekt van ‘niets over ons zonder ons’ als basisprincipe.
De intentieverklaring van mei 2026 spreekt over beleid voor kinderen met een beperking. Maar nergens staat dat de doelgroep zelf structureel betrokken is bij het ontwerp van dat beleid. Dat is een verschil dat het verdrag wel degelijk maakt.
Daarnaast schrijft het CRPD voor dat toegankelijkheid geen uitzondering is, maar de standaard. Geen speciale voorziening die je als extra krijgt, maar de normale gang van zaken.
Een kortingskaart als voornaamste concrete uitwerking past eerder bij het oude denken – mensen met een beperking als groep die geholpen wordt – dan bij het verdragsdenken, waarbij de samenleving zo is ingericht dat iedereen gewoon mee kan doen.
Wat moet Suriname dan doen?
Als de overheid werkelijk wil laten zien dat zij mensen met een beperking als volwaardige burgers beschouwt, dan zijn er een aantal stappen die niet kunnen worden overgeslagen.
De eerste en meest symbolisch krachtige stap is het ondertekenen en ratificeren van het Facultatief Protocol. Daarmee geeft Suriname het signaal: wij zijn bereid om verantwoording af te leggen.
Niet alleen aan onze eigen burgers, maar ook aan de internationale gemeenschap. Dat is geen bedreiging voor de soevereiniteit van Suriname – het is een bewijs van volwassenheid als rechtsstaat.
Verder moet inclusiebeleid worden verankerd in wetgeving, met toezicht en sancties. Goede bedoelingen zijn niet genoeg. Het CRPD vraagt om meetbare verplichtingen, niet om intentieverklaringen.
Ook moet het Ministerie van Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening, samen met Transport en Financiën, structureel onderdeel worden van het inclusiebeleid.
Toegankelijkheid begint bij de stoep voor de deur, de bus naar de stad, en het gebouw dat iedereen in kan. Dat valt niet onder SOZAVO – dat is infrastructuur.
En ten slotte: mensen met een beperking moeten niet alleen geconsulteerd worden. Zij moeten mede-eigenaar zijn van het beleid dat over hen gaat. Dat is geen gunst – dat is wat het verdrag vraagt.
Een oproep aan de regering
De intentieverklaring van mei 2026 is een begin. Ik heb dat in mijn vorige artikel gezegd, en ik herhaal het hier. Maar een begin is alleen waardevol als het ergens naartoe leidt.
Als de vicepresident en de betrokken ministers werkelijk willen aantonen dat zij het verdrag serieus nemen, dan is de logische vervolgstap helder: zet het Facultatief Protocol op de agenda van de Raad van Ministers, en onderteken het.
Niet omdat de internationale gemeenschap dat verwacht. Maar omdat de Surinaamse burger met een beperking het verdient om te weten dat zijn rechten niet alleen op papier bestaan — maar ook kunnen worden afgedwongen.
Een verdrag zonder protocol is een belofte zonder gevolg. Suriname kan beter dan dat.
Aniel Koendjbiharie
Voorzitter, Stichting Wan Okasi
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud








