De morele verontwaardiging voor rechtsstatelijke zorgvuldigheid bij hervorming Openbaar Ministerie en Rechterlijke Macht!
Die zorgvuldigheid waarnaar wordt verlangd is reeds vertrapt onder de vorige regering, met name door president Santokhi bij het bekrachtigen van de “Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht S.B. 2024 no. 158”, die in strijd is met de grondwet.
Volgens de moraalridder vergen grondwetswijzigingen een uiterst zorgvuldige benadering, juist vanwege de ingrijpende gevolgen voor de rechtsstaat en de democratische beleving (en geen balans).
Het is precies op grond van deze zienswijze dat ondergetekende, op uitnodiging van de voorzitter van de commissie van rapporteurs toen, mevr. mr. Cheryl Dijksteel lid van de V.H.P. in De Nationale Assemblee omstreeks mei 2024, tijdens deze vergadering uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat de ontwerpwet Rechtspositie Rechterlijke Macht inhoudelijk verkeert is geredigeerd en in strijd is met de grondwet.
De NPS- fractie maakte toen ook deel uit van De Nationale Assemblee (D.N.A.).
Inbreng Openbaar Ministerie en Hof van Justitie essentieel
De ironie wil dat toen bij de behandeling van de “Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht, is gebleken dat de initiatiefnemers van het initiatiefwetsvoorstel niet zelf het voorstel hadden geredigeerd, maar van het Openbaar Ministerie en Hof van Justitie als cadeau hadden ontvangen.
Recente Initiatieven tot hervorming
Het vraagstuk van de drie initiatiefwetsvoorstellen m.b.t. nadere wijziging van de grondwet van de Republiek Suriname met name: 1. Nadere wijziging van de grondwet van de Republiek Suriname.
2. Nadere wijziging van het Reglement op de Inrichting en de Samenstelling van de Rechterlijke Macht ( laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2009 no. 33 ).3. Wijziging van de wet Rechtspositie Rechterlijke Macht ( S.B. 2024 no. 158 ).
Het onderhavige vraagstuk is simpel op te lossen en hier komt nog bij dat het, het enig rechtsstatelijke oplossingsmodel is binnen deze problematiek. Wij beginnen bewust met de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht van 29 november 2024 ( S.B. 2024 no. 158 ).
Deze wet is in strijd met de grondwet. Deze wet had een organieke wet moeten zijn op grond van artikel 141 lid 3 van de grondwet, maar is een algemene wet geworden op grond van artikel 133 van de grondwet en er is valselijk opgenomen in de Intitulé “dat ter uitvoering van artikel 141 lid 3 het wenselijk is regels betreffende de geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden en gewezen leden van de Rechterlijke Macht, alsmede hun gezinsleden en nabestaanden, vast te stellen.
Ook hier wordt misleid (moet zijn leden van de Rechterlijke Macht met rechtsspraak belast). Waar waren al de verontwaardigde rechtsgeleerden toen?
De wet moest heten “Wet geldelijke voorzieningen leden van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast”. Nu deze organieke wet nog steeds niet tot stand is gekomen en de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht niet in overeenstemming is met de grondwetsbepaling, is de regering c.q. De Nationale Assemblee verplicht op grond van rechtsstatelijkheid en goed bestuur deze wet te vervangen met twee nieuwe wetten.
Hoe, is reeds uiteengezet tijdens de meeting op uitnodiging van de voorzitter van de commissie van rapporteurs van deze Initiatiefwetsvoorstellen de heer Rabin Parmessar.
Ik blijf mij telkens weer verbazen over de moraalridders met dubbele agenda’s in dit land om niet te spreken over “cognitieve dissonantie”.
Eugène van der San
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud








