Het nieuwe schooljaar 2026–2027 staat voor de deur, maar het Surinaamse onderwijs begint opnieuw met problemen die al jarenlang bekend zijn.
Tekorten aan leerkrachten, onvoldoende leslokalen, problemen met meubilair, leerlingenvervoer en plaatsing behoren opnieuw tot de knelpunten die moeten worden opgelost.
Voor veel leerkrachten voelt het dan ook niet als een nieuw probleem, maar als een jaarlijks terugkerend patroon.
Elk jaar dezelfde problemen
De vraag die steeds nadrukkelijker wordt gesteld, is waarom opeenvolgende regeringen er maar niet in slagen om deze structurele problemen daadwerkelijk op te lossen.
Het tekort aan leerkrachten is immers geen nieuw verschijnsel. Ook het gebrek aan geschikte lokalen en overvolle klassen duikt vrijwel ieder schooljaar opnieuw op.
Daardoor begint een schooljaar niet zelden met noodoplossingen, improvisatie en onzekerheid bij scholen, leerkrachten, ouders en leerlingen.
Een leerkracht verwoordt de situatie als volgt:
“Komend schooljaar heb ik bijkans 30 leerlingen. Ik hoop dat er meubilair is gekomen, anders zullen de kinderen op de grond zitten.”
Het gaat daarbij niet alleen om comfort. Wanneer een klas die ontworpen is voor ongeveer 20 tot 25 leerlingen structureel 40 of meer leerlingen moet opvangen, ontstaat een situatie waarin de kwaliteit van het onderwijs onder druk kan komen te staan.
‘Betaal leerkrachten beter’
Onder leerkrachten klinkt ondertussen steeds luider dat het personeelsprobleem niet uitsluitend met werving kan worden opgelost.
Ook het behoud van ervaren leerkrachten en het terughalen van mensen die het onderwijs hebben verlaten, zou volgens hen onderdeel moeten zijn van de oplossing.
“Begin de leerkrachten beter te betalen, zodat degenen die naar andere sectoren zijn vertrokken, terugkeren. Geloof me, ze zullen het doen. Je zult versteld staan van de oplossingen die een gemotiveerd lerarenkorps kan aandragen om de hiaten op te vangen.”
Een andere leerkracht pleit voor gerichte financiële ondersteuning voor personeel dat bereid is te werken op scholen waar de tekorten het grootst zijn.
“Geef leerkrachten die ver van hun school wonen en bereid zijn daar te werken een gerichte maandelijkse vervoerstoelage voor hun woon-werkverkeer. Niet iedereen wil of kan met een schoolbus reizen; velen gebruiken bewust hun eigen vervoer. Maak werken op scholen met tekorten aantrekkelijk en haalbaar.”
Daarmee wordt een breder punt aangesneden: als bepaalde scholen structureel moeilijk personeel kunnen aantrekken, zou het beleid niet alleen moeten bestaan uit oproepen om meer leerkrachten te zoeken, maar ook uit maatregelen die het daadwerkelijk aantrekkelijk maken om daar te werken.
Niet alleen een geldprobleem
Toch wijzen leerkrachten erop dat geld slechts één onderdeel van het probleem is.
“We hebben niet alleen een tekort aan leerkrachten, maar er is een managementprobleem daar bij Onderwijs… en tekort aan financiële middelen. Met weinig middelen moet je creatief omspringen. En ik herhaal het nogmaals: BETAAL DIE LEERKRACHTEN BETER”.
Die reactie legt de vinger op een bredere kwestie. Het onderwijsprobleem kan niet uitsluitend worden teruggebracht tot een tekort op de begroting.
Ook planning, personeelsbeleid, huisvesting, schoolmanagement, communicatie en de uitvoering van beleid bepalen of een schooljaar daadwerkelijk goed kan starten.
Wanneer problemen ieder jaar opnieuw worden gesignaleerd, rijst daarom de vraag of er voldoende structureel wordt gepland.
Van crisismanagement naar onderwijsbeleid
Een ministerie dat ieder jaar opnieuw moet zoeken naar lokalen, leerkrachten, meubilair en vervoersoplossingen, loopt het risico voortdurend achter de feiten aan te lopen.
Onderwijs vraagt juist om meerjarige planning.
Hoeveel leerlingen worden de komende jaren verwacht? Waar groeit de bevolking? Welke scholen hebben structureel ruimtegebrek? Hoeveel leerkrachten verlaten jaarlijks het beroep?
Hoeveel nieuwe leerkrachten worden opgeleid? Welke scholen hebben moeite om personeel aan te trekken? En welke financiële prikkels kunnen worden ingezet om personeel naar deze scholen te krijgen?
Dit zijn geen vragen die pas enkele weken vóór de opening van een schooljaar gesteld zouden moeten worden.
De rekening komt uiteindelijk bij het kind terecht
Achter iedere discussie over lokalen, salarissen en personeel staan leerlingen.
Een kind dat in een klas van 40 leerlingen zit, heeft niet dezelfde leeromgeving als een kind in een klas van 20 of 25 leerlingen.
Een school zonder voldoende leerkrachten kan niet dezelfde begeleiding bieden als een school met voldoende personeel. En wanneer een leerkracht structureel overbelast raakt, heeft dat uiteindelijk ook gevolgen voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs.
Daarom kan het lerarentekort niet worden beschouwd als uitsluitend een arbeidsmarktprobleem. Het is ook een onderwijs- en ontwikkelingsvraagstuk.
Hoe lang blijven noodoplossingen het beleid bepalen?
Dat Suriname aan het begin van een nieuw schooljaar opnieuw met vergelijkbare problemen wordt geconfronteerd, zou aanleiding moeten zijn voor een fundamentele evaluatie van het onderwijsbeleid van de afgelopen jaren.
Niet om één regering of één minister de schuld te geven. De problemen zijn daarvoor te structureel en gaan meerdere bestuursperioden terug.
Maar juist daarom is de verantwoordelijkheid groter.
Als opeenvolgende regeringen dezelfde knelpunten blijven erven, opnieuw tijdelijke oplossingen inzetten en het volgende schooljaar vervolgens met vergelijkbare problemen beginnen, dan is de vraag gerechtvaardigd of het land het onderwijsprobleem wel als een structureel vraagstuk behandelt.
Suriname kan niet ieder jaar verrast worden door een schooljaar dat eraan komt.
Een schooljaar komt immers niet onverwacht. De leerlingen zijn bekend. De scholen zijn bekend. De tekorten zijn bekend. En ook de problemen van de leerkrachten zijn al jaren bekend.
Wat ontbreekt, lijkt daarom steeds minder op kennis van het probleem en steeds meer op een duurzame aanpak die verder gaat dan de voorbereiding op de eerstvolgende schoolopening.






