De uitspraak van NPS-parlementariër Poetini Atompai dat hij “rijp is om president te worden” heeft opnieuw een oude politieke discussie in Suriname geopend: wie is werkelijk geschikt om het hoogste ambt van het land te bekleden?
In een democratische rechtsstaat is het een groot goed dat niet alleen een kleine elite toegang heeft tot het presidentschap.
In principe kan iedere Surinamer die aan de wettelijke voorwaarden voldoet, politieke ambities ontwikkelen en uiteindelijk president worden. Dat is de kracht van onze democratie.
Maar er is een groot verschil tussen president kunnen worden en een goede president kunnen zijn.
Het presidentschap is geen titel of persoonlijke beloning. Het is een verantwoordelijkheid die directe gevolgen heeft voor het dagelijks leven van honderdduizenden burgers. Een president bepaalt mede de richting van de economie, het vertrouwen van investeerders, de kwaliteit van bestuur en de toekomstkansen van jongeren.
De vraag die Suriname zich daarom moet stellen, is niet alleen: wie wil president worden? Maar vooral: wie heeft bewezen Suriname daadwerkelijk te kunnen leiden?
Een geschiedenis van beloften en teleurstellingen
Suriname heeft sinds de onafhankelijkheid verschillende presidenten gekend. Elke president trad aan met beloften van ontwikkeling, economische groei en verbetering van het welzijn van de bevolking.
Toch blijft het land worstelen met veel van dezelfde problemen: schulden, armoede, afhankelijkheid van grondstoffen, zwakke instituties en een gebrek aan duurzame economische groei.
Jules Wijdenbosch (1996-2000) trad aan met grote ambities voor ontwikkeling en infrastructuur. Zijn regering realiseerde onder andere belangrijke infrastructurele projecten, waaronder de naar hem genoemde brug over de Surinamerivier.
Tegelijkertijd kreeg zijn bestuur zware kritiek vanwege het economische beleid, de oplopende schuldenlast en financiële instabiliteit. De economie raakte in een moeilijke periode waarin de koopkracht van burgers sterk onder druk kwam te staan.
Ronald Venetiaan (1991-1996 en 2000-2010) werd gezien als een bestuurder die meer financiële discipline wilde brengen. Zijn regeringen stonden voor herstel van economische stabiliteit na eerdere crises.
Toch bleef de fundamentele uitdaging bestaan: Suriname bleef sterk afhankelijk van inkomsten uit natuurlijke hulpbronnen en er kwam onvoldoende structurele diversificatie van de economie.
Desi Bouterse (2010-2020) kwam aan de macht met de belofte van sociale vooruitgang en economische groei.
Zijn regering investeerde in sociale programma’s en infrastructuur, maar werd uiteindelijk geconfronteerd met zware kritiek vanwege de sterke stijging van de staatsschuld, economische achteruitgang en het verlies van vertrouwen van internationale financiële instellingen.
De economische crisis aan het einde van zijn regeerperiode liet een grote uitdaging achter voor zijn opvolger.
Chan Santokhi (2020-2025) begon zijn presidentschap tijdens een ernstige economische crisis. Zijn regering richtte zich op financieel herstel, hervormingen en samenwerking met internationale partners.
Hoewel bepaalde stappen werden gezet richting economische stabilisatie, ervoeren veel burgers vooral de pijn van hervormingen: hoge inflatie, dalende koopkracht en stijgende kosten van levensonderhoud.
De huidige regering onder Jennifer Geerlings-Simons staat eveneens voor enorme uitdagingen. Uiteindelijk zal ook deze regering niet worden beoordeeld op goede bedoelingen of mooie plannen, maar op concrete resultaten.
De lat moet hoger liggen
Het probleem van Suriname is niet dat er geen mensen zijn met politieke ambities. Het probleem is dat ambitie vaak sneller groeit dan bewezen leiderschap.
Het presidentschap vraagt meer dan zelfvertrouwen. Een president moet begrijpen hoe een economie werkt, hoe staatsfinanciën beheerst moeten worden en hoe beleid vertaald wordt naar resultaten voor gewone burgers.
Een goede president moet niet alleen kunnen spreken, maar ook kunnen uitvoeren. Niet alleen problemen benoemen, maar oplossingen realiseren. Niet alleen populariteit zoeken, maar moeilijke beslissingen durven nemen wanneer het nationaal belang daarom vraagt.
Olie en gas maken leiderschap nog belangrijker
Met de toekomstige ontwikkeling van de olie- en gassector staat Suriname mogelijk voor een historisch economische kans. Maar juist deze periode vraagt om uitzonderlijk leiderschap.
De geschiedenis van grondstoffenrijke landen laat zien dat natuurlijke rijkdom geen garantie is voor welvaart. Zonder goed bestuur kunnen olie-inkomsten verdwijnen zonder dat de bevolking er structureel beter van wordt.
De toekomstige president van Suriname moet daarom niet alleen een politieke leider zijn, maar ook een strategische denker die ervoor zorgt dat olie-inkomsten worden gebruikt voor onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg, innovatie en economische diversificatie.
Suriname heeft behoefte aan staatsmannen en staatsvrouwen
De uitspraak van Atompai mag onderdeel zijn van een gezonde democratische discussie. Jongere generaties moeten worden aangemoedigd om politieke verantwoordelijkheid te nemen. Maar het presidentschap mag geen kwestie worden van persoonlijke ambitie alleen.
Suriname heeft na tientallen jaren van politieke wisselingen behoefte aan leiders die niet alleen vragen: “Kan ik president worden?” maar vooral: “Ben ik bereid de verantwoordelijkheid te dragen om een land beter achter te laten dan ik het heb aangetroffen?”
Want uiteindelijk wordt een president niet herinnerd vanwege de woorden waarmee hij of zij begon, maar vanwege de resultaten waarmee de geschiedenis oordeelt.
D. Karamat-Ali
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud








