De Nederlandse inwoner van Para, Bert Groeneweg, heeft grote vraagtekens bij de toegankelijkheid van het onlangs geopende Para Plantage Museum.
Hoewel het museum eind oktober officieel werd geopend door minister Raymond Landveld, lukte het Groeneweg naar eigen zeggen niet om het museum te bezoeken.

Bij de ingang werd hij tegengehouden en niemand kon hem vertellen hoe hij binnen kon komen.
De gepensioneerde Nederlander is geen onbekende bij GFC Nieuws. Hij heeft onze redactie al meerdere keren benaderd met zijn ervaringen en kritische opmerkingen over uiteenlopende zaken in Suriname.
Groeneweg is voormalig leidinggevend hogeschooldocent in Nederland en woont sinds 2018 samen met zijn Surinaamse echtgenote Wilma op een oude plantage in Para, in de omgeving van Republiek.
Zelfs medewerkers bij de ingang konden niet helpen
In zijn nieuwste e-mail aan GFC Nieuws vertelt Groeneweg dat hij in vier kranten berichten las over de opening van het museum. Volgens hem waren deze vrijwel letterlijk overgenomen uit hetzelfde persbericht.
Tot zijn verbazing ontbrak belangrijke informatie. Nergens kon hij vinden waar het museum precies gevestigd was, wat de openingstijden zijn en hoeveel bezoekers moeten betalen.
Ook een website met praktische informatie kon hij niet vinden.
Na verschillende vragen in de omgeving ontdekte hij uiteindelijk dat het museum op het terrein van de SWM bij Republiek zou liggen.
Hij besloot zelf poolshoogte te nemen.
Bij de ingang trof hij drie medewerkers aan die de toegang tot het terrein bewaakten. Volgens Groeneweg kreeg hij geen toestemming om naar binnen te gaan.
De medewerkers konden hem evenmin informatie over het museum geven. Wel zag hij een klein bord waarop stond aangegeven dat het museum zich op het terrein bevindt.
Hoe moeten toeristen het museum dan bezoeken?
Het Para Plantage Museum werd op 26 oktober geopend en moet bezoekers kennis laten maken met de plantagegeschiedenis, het slavernijverleden en het culturele erfgoed van Para.
Volgens het ministerie van Transport, Communicatie en Toerisme moet het museum ook bijdragen aan de ontwikkeling van het toerisme in het district.
Groeneweg, die eerder bij GFC Nieuws aandacht vroeg voor onder meer veiligheid, onderwijs en overlast bij recreatieoorden, vraagt zich af hoe belangstellenden een bezoek kunnen plannen wanneer zelfs eenvoudige bezoekersinformatie ontbreekt.
Zijn ervaring roept vragen op over de bereikbaarheid van het museum en de manier waarop bezoekers worden ontvangen.
Hij sluit zijn ingezonden bericht af met de vraag:
“Hoe wil je er in vredesnaam voor zorgen dat er mensen naar je museum komen?”






