Er zijn uitspraken die je twee keer moet lezen omdat je niet goed begrijpt wat iemand precies bedoelt. En er zijn uitspraken waarbij je na de tweede keer lezen vooral met één vraag blijft zitten: wat begrijpt deze volksvertegenwoordiger eigenlijk niet?
Parlementariër Edgar Sampi van ABOP zegt dat hij “niet weet waarom er zoveel herrie wordt gemaakt” over de komst van de mennonieten en dat hij persoonlijk “niets verkeerds” ziet aan hun aanwezigheid in het binnenland.
Hij vindt dat de regering hen toestemming moet geven omdat zij een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van het binnenland.
Daarmee reduceert Sampi een buitengewoon ingewikkelde nationale kwestie tot een bijna kinderlijk eenvoudig verhaal: er zijn mensen die landbouw willen bedrijven, zij kunnen economisch bijdragen, dus waarom maken we er zo’n probleem van?
Maar juist dát is het probleem.
Het gaat niet om de vraag of mennonieten mogen boeren
Wie de discussie terugbrengt tot “landbouw is goed voor Suriname” mist de kern.
Niemand hoeft principieel tegen landbouw, buitenlandse investeringen of kennis uit het buitenland te zijn om kritische vragen te stellen over de komst van een specifieke groep en de manier waarop die groep toegang krijgt tot grond.
De relevante vragen zijn veel fundamenteler.
Wie heeft deze mensen naar Suriname gehaald? Welke afspraken zijn met hen gemaakt? Wie heeft hen toestemming gegeven om zich te vestigen?
Over welke grond gaat het? Wat is de juridische status van die grond? Zijn milieustudies uitgevoerd? Zijn de vereiste vergunningen verleend? En wat betekent een grootschalige vestiging voor de rechten en leefgebieden van Inheemse en Tribale gemeenschappen?
Dat zijn geen “herrievragen”. Dat zijn vragen die een volksvertegenwoordiger juist zou moeten stellen.
Als de regels gelden, gelden ze voor iedereen
Minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij Mike Noersalim heeft eerder aangegeven dat er geen afzonderlijke overeenkomst tussen zijn ministerie en de mennonieten bestaat.
Volgens hem trof hij bij zijn aantreden wel documenten en besluiten van de vorige regering aan die betrekking hebben op de groep, maar geen volledig dossier met een rechtstreekse overeenkomst.
Voor grootschalige landbouw gelden volgens het ministerie onder meer voorwaarden rond milieustudies, vergunningen, de status van buitenlandse arbeidskrachten en bescherming van primair bos.
President Jennifer Simons heeft bovendien verklaard dat de regering de activiteiten van mennonieten in het binnenland onderzoekt.
Volgens haar is uit de verzamelde informatie gebleken dat sprake is van illegale activiteiten en heeft een groep volgens de regering inmiddels een deurwaardersexploot ontvangen om het betreffende gebied te verlaten.
Daar kan men politiek van mening over verschillen. Men kan de regering te streng vinden. Men kan vinden dat de juridische procedures onvoldoende duidelijk zijn. Men kan zelfs vinden dat buitenlandse landbouwgroepen onder bepaalde voorwaarden welkom moeten zijn.
Maar dan begint het parlementaire debat juist.
Niet bij: “Ik zie niets verkeerds.”
Wat is er precies zo moeilijk aan toestemming?
Sampi zegt dat de regering de mennonieten toestemming moet geven.
Maar toestemming waarvoor?
Om landbouw te bedrijven? Om zich permanent te vestigen? Om grond te gebruiken? Om bos om te zetten? Om werknemers naar Suriname te brengen? Om duizenden hectaren te exploiteren?
Dat zijn juridisch en bestuurlijk totaal verschillende zaken.
Volgens berichtgeving over een bezoek van parlementariërs aan het Tibiti-gebied heeft een groep mennonieten daar verklaard dat zij ervan uitging dat nog aan toestemming werd gewerkt.
Tegelijkertijd was er volgens dezelfde berichtgeving een deurwaardersexploot waarin de groep werd gesommeerd het gebied te verlaten. Ook werd tijdens het bezoek gewezen op de ligging van het gebied binnen Inheems woon- en leefgebied.
Juist daar zou een volksvertegenwoordiger alarmbellen moeten horen.
Niet omdat mennonieten per definitie slecht zijn.
Niet omdat buitenlandse investeerders per definitie ongewenst zijn.
Maar omdat de rechtsstatus van grond, toestemming, milieubescherming en de rechten van lokale gemeenschappen niet kunnen worden vervangen door een politieke uitspraak dat iemand “een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling”.
Ontwikkeling voor wie?
Dit is misschien wel de belangrijkste vraag die Sampi overslaat.
Wanneer iemand zegt dat de mennonieten een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van het binnenland, moet onmiddellijk de vervolgvraag komen:
ontwikkeling voor wie?
Voor de investeerder?
Voor de mennonitische gemeenschap?
Voor Suriname als geheel?
Voor de lokale bevolking?
Voor Inheemse en Tribale gemeenschappen?
Voor de landbouwsector?
En wie draagt de kosten als die ontwikkeling ten koste gaat van bos, leefgebieden, biodiversiteit of traditionele bestaansmiddelen?
Ontwikkeling is geen toverwoord waarmee iedere vorm van grondgebruik automatisch gelegitimeerd wordt.
Suriname heeft juist jarenlang gediscussieerd over de bescherming van Inheemse en Tribale gronden en leefgebieden.
De regering heeft in augustus aangegeven dat bescherming van deze gebieden en het milieu hoge prioriteit heeft en werkt aan maatregelen om te voorkomen dat rechten “overnight” in of rond deze gebieden worden uitgegeven.
Daartegenover staat dan een parlementariër die feitelijk zegt: geef ze toestemming, want ze kunnen ontwikkelen.
Dat is geen antwoord op de juridische en maatschappelijke vragen. Het is het overslaan ervan.
En dan wordt de politiek erbij gehaald
Alsof de inhoudelijke vragen nog niet ingewikkeld genoeg zijn, maakt Sampi er vervolgens een politieke kwestie van.
Hij suggereert dat bepaalde politieke partijen de mennonieten zouden “criminaliseren” omdat hun komst niet vanuit die politieke hoek zou zijn geregeld.
Hij noemt geen namen, maar zegt dat de samenleving “beter naar de zaken moet kijken”. Tegelijkertijd weigert hij te zeggen of hij op de NDP doelt, omdat ABOP deel uitmaakt van de coalitie.
Dat is politiek comfortabel, maar inhoudelijk weinig behulpzaam.
Als er sprake is van een politieke campagne om de mennonieten bewust te criminaliseren, dan hoort een parlementariër met concrete feiten te komen.
Wie doet dat?
Welke uitspraak is onjuist?
Welke informatie wordt gemanipuleerd?
Welke partij stuurt dit?
Welke belangen zitten daarachter?
En vooral: wat zijn de feiten?
Je kunt niet eerst insinueren dat een politieke hoek de discussie manipuleert en vervolgens weigeren te zeggen wie of wat je bedoelt.
Een volksvertegenwoordiger heeft geen recht op suggestie zonder onderbouwing.
De grond is geen leeg canvas
Misschien is dit wel de grootste blinde vlek in het debat.
Het binnenland is geen lege ruimte op de kaart waar iedere regering of ondernemer naar believen een stuk kan aanwijzen en zeggen: hier gaan we ontwikkelen.
Er wonen mensen.
Er zijn gemeenschappen.
Er zijn traditionele leefgebieden.
Er zijn bossen, rivieren en ecosystemen.
Er zijn bestaande en betwiste grondrechten.
En er is een geschiedenis waarin beslissingen over grond en natuurlijke hulpbronnen veel te vaak boven de hoofden van de mensen in het gebied zijn genomen.
Juist daarom is de vraag niet alleen wat een investeerder met een gebied wil doen.
De vraag is ook wie zeggenschap heeft, wie wordt geraadpleegd, welke rechten bestaan en welke wettelijke procedures moeten worden gevolgd.
Opvallend is dat juist ABOP in zijn verkiezingsprogramma voor 2025-2030 spreekt over juridische erkenning van traditionele grondrechten van Inheemse en Tribale gemeenschappen, bescherming van hun traditionele leefomgeving en voorafgaande geïnformeerde instemming bij projecten die hun land en leefomgeving beïnvloeden.
Dan wordt de vraag aan Sampi nog interessanter:
Waar staat zijn uitspraak over de mennonieten binnen die eigen uitgangspunten?
Economische kansen zijn geen vrijbrief
Er kan best een inhoudelijk debat worden gevoerd over de vraag of mennonitische landbouwkennis, investeringen en arbeidskracht iets kunnen bijdragen aan de Surinaamse landbouw.
Minister Noersalim heeft zelf gewezen op kansen voor de landbouwsector, onder meer vanwege het tekort aan arbeidskrachten en de vergrijzing binnen de sector. Tegelijkertijd benadrukt hij dat buitenlandse arbeidskrachten en landbouwactiviteiten binnen de geldende wetgeving moeten plaatsvinden.
Dat is de volwassen benadering.
Kansen erkennen én voorwaarden stellen.
Niet: kansen erkennen en vervolgens de voorwaarden als hinderlijke details behandelen.
Suriname hoeft niet te kiezen tussen ontwikkeling en rechtsstaat. Het land behoort juist te laten zien dat economische ontwikkeling binnen de rechtsstaat kan plaatsvinden.
Wat een volksvertegenwoordiger zou moeten vragen
Sampi vraagt zich af waarom er zoveel “herrie” wordt gemaakt.
Een betere vraag zou zijn:
Waarom is er nog zoveel onduidelijkheid?
Waarom weten verschillende betrokken instanties niet exact welke afspraken zijn gemaakt?
Waarom zijn er verschillende verhalen over grond, toestemming en vestiging?
Waarom moeten parlementariërs ter plaatse documenten opvragen om duidelijkheid te krijgen?
Waarom bestaat er discussie over de vraag wie deze mensen naar Suriname heeft gehaald?
En waarom is er volgens de regering een onderzoek nodig naar de legaliteit van hun activiteiten?
Dat zijn vragen die veel dichter bij de parlementaire taak liggen dan de voorspelling dat de “storm wel zal overwaaien”.
De storm moet niet overwaaien
Misschien is dat uiteindelijk het meest problematische deel van Sampi’s uitspraak.
Hij verwacht dat de storm overwaait en dat president, parlement en regering op termijn toch zullen meewerken aan de komst van de mennonieten.
Maar een democratische rechtsstaat hoort problemen niet te laten verdwijnen omdat de publieke aandacht afneemt.
De storm hoeft niet over te waaien.
De feiten moeten boven tafel.
De documenten moeten openbaar waar dat juridisch kan.
De grondposities moeten duidelijk zijn.
De milieugevolgen moeten worden onderzocht.
De rechten van Inheemse en Tribale gemeenschappen moeten worden gerespecteerd.
De verblijfs- en arbeidsstatus van buitenlandse personen moet worden gecontroleerd.
En als alles volgens de wet kan, dan moet dat ook gewoon kunnen worden uitgelegd en uitgevoerd.
Dat is geen anti-mennonietenbeleid. Dat is bestuur.
Van volksvertegenwoordiger mag meer worden verwacht
De mennonieten zijn uiteindelijk niet het enige onderwerp waarover Suriname zich druk zou moeten maken.
Maar juist daarom is zorgvuldigheid noodzakelijk.
Wanneer een volksvertegenwoordiger zegt dat hij “niets verkeerds” ziet, terwijl er nog fundamentele vragen liggen over grond, toestemming, milieu en rechten van gemeenschappen, wordt de indruk gewekt dat economische ontwikkeling belangrijker wordt gevonden dan het beantwoorden van de juridische vragen.
Dat is niet de volgorde die je van een parlementariër mag verwachten.
Een volksvertegenwoordiger hoeft niet tegen de mennonieten te zijn.
Hij hoeft ook niet voor hen te zijn.
Hij moet vóór de wet, transparantie, de belangen van Suriname en de rechten van de mensen die door besluiten worden geraakt zijn.
En precies daarom blijft na deze uitspraken één vraag overeind:
Dom, dommer… wat begrijpt deze volksvertegenwoordiger niet?
Begrijpt hij niet dat het debat niet gaat over het feit dat mennonieten landbouw willen bedrijven?
Begrijpt hij niet dat ontwikkeling zonder rechtszekerheid geen duurzaam ontwikkelingsmodel is?
Begrijpt hij niet dat het binnenland niet van de regering alleen is om weg te geven, maar dat daar mensen wonen met rechten en belangen?
Of begrijpt hij niet dat zijn eerste verantwoordelijkheid als volksvertegenwoordiger niet is om een omstreden ontwikkeling alvast te omarmen, maar om eerst te vragen: klopt het juridisch, klopt het bestuurlijk en klopt het tegenover de mensen die daar al wonen?
Want als zelfs dát niet meer de eerste reflex van een volksvertegenwoordiger is, hebben we misschien een groter probleem dan de mennonieten zelf.
N. Mohari
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







