Iedere regering gebruikt hetzelfde systeem en niemand “Kinkie het systeem”. Ik leg het uit. Ik heb een studie gemaakt en geanalyseerd hoe Surinaamse regeringen stelen van het volk? Let op: alle regeringen hebben dit gedaan in de afgelopen 51 jaar. Geen een gaat vrijuit!
Na analyse kom ik tot de conclusie dat Surinamers, het gewone volk, 51 jaar lang armer is geworden onder andere door de STEEL-Cyclus.
Dit cyclus bestaat uit 5 jaar, de 5 jaar waarin iedere Surinaamse regering zogenaamd regeert. Dit is het systeem dat men moet Kinkie maar het veranderd niet. Ze komen en ze gaan en het blijft bestaan.
Tot 2030 gaat de Surinaamse schuld ieder jaar met 1 miljard USD inclusief rente toenemen. Het bewijs is geleverd, GFC nieuws heeft dit op haar manier de feiten beschreven voor 2027 en als oplettende schuldenanalist doe ik de rest. Wat deze regering gaat preseteren in de 5 jarige STEEL-cyclus is de vraag. Let u dit keer zelf goed op!
Hoe werkt de 5 jarige STEEL-Cyclus?
Jaar 1: alle mensen van de vorige regering beschuldigen en weghalen op belangrijke plekken waar men kan stelen
Jaar 2: plannen maken om geld uit te kunnen geven, nooit om geld te besparen. (Deze regering heeft deze fase net afgerond, veel beloften gedaan)
Jaar 3: Geld lenen om plannen uit te voeren om dit geld via de voordeur en achterdeur te stelen (deze regering begint nu weer lenen 1 miljard inclusief rente, ongeveer 900 miljoen USD, ongeveer 100 miljoen bijkomende rente. 51 jaar merkt het volk niets van deze geweldige plannen).
Jaar 4: uitvoeren van plannen doorzetten en laatste deel nog stelen.
Jaar 5: verkiezingsjaar, laatste restjes stelen en dan wat teruggeven in de vorm van eten en drinken tijdens de verkiezing en vooral weer beloven
Na de verkiezing begint weer een nieuwe STEEL-cyclus van 5 jaar. En dit gaat al 51 jaar door. En het volk weet niet beter. Neks no kinkie!
Nu weet u HOE er wordt gestolen door regeringen al 51 jaar lang. En de parlementariërs die u kiest maken deel uit van dit systeem dus ze gaan nooit voor uw belangen en uw voordelen opkomen! NOOIT!
De situatie nu, jaar 2
De nieuwe leningen in de pijplijn maken de jaarrede van president Simons een stuk interessanter. Terwijl de regering spreekt over financiële discipline, economische hervorming en de voorbereiding op de olietoekomst, blijkt uit het Staatsschuldenplan 2027 dat ruim USD 850 miljoen aan nieuwe binnenlandse en buitenlandse financieringen wordt voorbereid.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat dit bedrag in 2027 volledig wordt geleend of opgenomen; een deel bevindt zich nog in aanvraag, voorbereiding of conceptfase. Maar juist dat onderscheid maakt de discussie belangrijker.
De vraag is niet alleen hoeveel geld de regering kan lenen, maar wat zij met iedere geleende dollar denkt te bereiken.
De rekening komt altijd later
Schulden kunnen noodzakelijk zijn wanneer zij productieve investeringen financieren die toekomstige inkomsten, export, werkgelegenheid of economische capaciteit opleveren, maar dezelfde schuld wordt een molensteen wanneer zij vooral wordt gebruikt om bestaande gaten te dichten zonder dat daar een structurele verbetering van de verdiencapaciteit tegenover staat.
Dat verschil is geen academische nuance, maar het onderscheid tussen lenen om rijker te worden en lenen om vandaag de rekening van gisteren te betalen.
Volgens GFC Nieuws bestaat de financieringspijplijn uit ongeveer USD 559 miljoen buitenlandse en USD 291,5 miljoen binnenlandse financiering.
Daaronder valt onder meer USD 40 miljoen van de IDB voor hervormingen in het onderwijs, USD 250 miljoen voor een Amazonia Bond, USD 239 miljoen aan Chinese financiering voor de brug tussen Suriname en Guyana en USD 30 miljoen voor afvalbeheer.
Binnenlands staat onder meer ongeveer USD 230,9 miljoen aan voorgenomen begrotingssteun via lokale banken op de lijst, naast infrastructuurfinancieringen.
Het gaat dus niet om één grote zak geld, maar om verschillende financieringslijnen met verschillende doelen, voorwaarden en looptijden.
Juist daarom is het te gemakkelijk om te roepen dat de regering “weer USD 850 miljoen gaat lenen”. Dat is feitelijk te kort door de bocht. Tegelijkertijd zou het even gemakkelijk zijn om te zeggen dat er dus niets aan de hand is.
Volgens GFC Nieuws lag de schuld-bbp-ratio volgens de wettelijke berekeningsmethode in juni 2026 op 119,6 procent, terwijl het wettelijke plafond 60 procent bedraagt; op basis van een andere, internationaal gebruikte bbp-maatstaf kwam de ratio uit op 74,5 procent. Ook die maatstaf ligt boven het plafond.
De olietoekomst als financiële toverformule
De regering kijkt nadrukkelijk vooruit naar olie en gas en wil tegelijk investeren in onderwijs, infrastructuur, productie, sociale bescherming en de voorbereiding op toekomstige olie-inkomsten.
Maar olie mag nooit veranderen in een financiële toverformule waarmee iedere nieuwe uitgave achteraf kan worden gelegitimeerd.
Het argument “straks komt de olie” wordt economisch gevaarlijk wanneer toekomstige inkomsten vandaag al worden uitgegeven.
Olieproductie kan de verhouding tussen schuld en bbp verbeteren en toekomstige overheidsinkomsten vergroten, maar zij verandert niet automatisch de kwaliteit van overheidsuitgaven, de productiviteit van ondernemingen of de efficiëntie van staatsinstellingen. Geld kan een probleem tijdelijk verbergen; het kan geen slecht ontwerp repareren.
Het interessantste onderdeel van de jaarrede is daarom misschien niet wat Simons allemaal wil bereiken, maar haar eigen constatering dat Suriname geen gebrek heeft aan plannen, maar aan consequente uitvoering en samenhang.
Dat is een belangrijk inzicht. Want als dat werkelijk het probleem is, dan zou de regering bij iedere nieuwe lening niet alleen moeten zeggen waarvoor het geld wordt gebruikt en welk meetbaar resultaat tegenover die lening staat.
Een lening van USD 40 miljoen voor onderwijs is geen resultaat, maar financiering. Het resultaat begint pas wanneer duidelijk wordt hoeveel scholen worden verbeterd, hoeveel leerlingen daarvan profiteren, welke leerprestaties moeten verbeteren en binnen welke termijn dat moet gebeuren.
Een lening voor infrastructuur is evenmin economische groei; de economische waarde ontstaat pas wanneer een weg, brug of ander project aantoonbaar leidt tot lagere transportkosten, betere markttoegang, meer productie of meer handel.
De harde vraag achter iedere dollar
Daarom zou Suriname een hardere regel moeten hanteren: iedere nieuwe lening krijgt een economisch paspoort. Daarin staat niet alleen hoeveel wordt geleend en tegen welke voorwaarden, maar ook welk probleem wordt opgelost, welke opbrengst wordt verwacht, hoeveel banen worden gecreëerd, welke exportcapaciteit ontstaat, welke belastinginkomsten kunnen toenemen en wanneer het resultaat zichtbaar moet zijn.
Wie publiek geld leent, moet publiek kunnen uitleggen wat de samenleving ervoor terugkrijgt.
De cijfers maken discipline noodzakelijk. Voor 2027 worden overheidsinkomsten geraamd op SRD 70,1 miljard en uitgaven op SRD 80,9 miljard, waardoor een tekort van SRD 10,8 miljard resteert, gelijk aan vier procent van het bbp. Van de uitgaven is circa SRD 25,4 miljard operationeel en SRD 55,6 miljard bestemd voor programma’s.
De regering zegt dat iedere uitgegeven SRD zoveel mogelijk moet bijdragen aan betere zorg, onderwijs, infrastructuur, sociale bescherming, productie en werkgelegenheid. Dat is precies de juiste toetssteen, maar vervolgens moet die belofte ook meetbaar worden gemaakt.
Want wat betekent “bijdragen”? Hoeveel beter onderwijs? Hoeveel extra productie? Hoeveel nieuwe banen? Hoeveel minder import? Hoeveel meer export?
Hoeveel hogere belastingopbrengsten? Zonder antwoorden op dergelijke vragen blijft financiële discipline vooral een mooie formulering.
De echte test begint nu
Er is bovendien nog een bedrag dat gemakkelijk uit beeld verdwijnt. Volgens het Staatsschuldenplan was in juni 2026 nog USD 520,7 miljoen beschikbaar binnen bestaande buitenlandse leenovereenkomsten, waarvan in 2027 maximaal ongeveer USD 195,7 miljoen kan worden opgenomen.
Daarbovenop komt de nieuwe financieringspijplijn. Het gaat dus om de totale financiële ruimte en de capaciteit van de overheid om die middelen verstandig te absorberen.
Daar zit misschien wel de grootste paradox. Suriname heeft jarenlang geklaagd over gebrek aan geld, terwijl de echte schaarste steeds meer ligt bij uitvoeringscapaciteit, goed projectmanagement, technische kennis, controle en het vermogen om investeringen daadwerkelijk om te zetten in productiviteit.
De regering heeft tijdens de jaarrede zelf aangegeven dat vrijwel alle sectoren met capaciteitsproblemen kampen en dat Suriname niet alleen investeringen, maar vooral gekwalificeerde mensen nodig heeft.
Dan ontstaat een ongemakkelijke vraag: als de staat honderden miljoenen extra financiering kan mobiliseren, maar tegelijkertijd onvoldoende capaciteit heeft om beleid consequent uit te voeren, bestaat dan niet het risico dat de schuld sneller groeit dan de economische capaciteit?
De komende jaren zullen daarom niet alleen moeten worden beoordeeld op de vraag hoeveel geld Suriname weet binnen te halen, maar vooral op de vraag hoeveel economische waarde met dat geld wordt gecreëerd.
De brug naar Guyana moet meer zijn dan beton, het onderwijsprogramma meer dan een leningsovereenkomst, infrastructuur meer dan asfalt en olie-inkomsten meer dan een toekomstige begrotingsmeevaller.
Suriname hoeft niet bang te zijn voor iedere lening. Een ontwikkelingsland kan soms verantwoord lenen. Maar het land moet wel af van de gewoonte om financiering te verwarren met ontwikkeling.
Een lening is een middel, geen prestatie. Een begroting is een plan, geen resultaat. En olie is een inkomstenbron, geen economische strategie.
De regering heeft in haar jaarrede zelf de juiste diagnose gegeven: Suriname heeft geen gebrek aan plannen, maar aan uitvoering en samenhang.
De ruim USD 850 miljoen die nu in de pijplijn staat, maakt die uitspraak alleen maar urgenter. Want als er straks honderden miljoenen extra beschikbaar zijn, kunnen we ons niet langer verschuilen achter het excuus dat er geen geld was.
Dan blijft één vraag over: wat heeft Suriname ermee gedaan?
En precies op dat antwoord moeten regering, parlement en samenleving de komende jaren elkaar blijven aanspreken.
En zo is de STEEL-cyclus van 5 jaar rond!
Dr. Ashwin Ramcharan
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







