De Commissie Excuses voor Hindoestanen heeft koning Willem-Alexander opnieuw gevraagd om publieke excuses aan te bieden aan de nazaten van Hindoestaanse contractarbeiders in Suriname.
De commissie wil dat de koning uiterlijk eind november 2026 kenbaar maakt of hij bereid is toe te werken naar publieke erkenning en excuses voor het historische onrecht dat hun voorouders binnen het koloniale contractarbeidsstelsel is aangedaan.
De oproep komt kort na de presentatie van het omvangrijke onderzoek naar de rol van het Huis Oranje-Nassau in de Nederlandse koloniale geschiedenis.
Op 2 oktober ontving koning Willem-Alexander in Leiden vijf publicaties die voortkwamen uit het onderzoek, waaraan ongeveer zestig onderzoekers hebben meegewerkt. Het onderzoek beslaat de periode van circa 1600 tot 2025 en kwam op initiatief van de koning zelf tot stand.
Volgens de Commissie Excuses voor Hindoestanen maakt de afronding van dit onderzoek de vraag naar de positie van de nazaten van Hindoestaanse contractarbeiders juist urgenter.
‘Hindoestaanse geschiedenis mag niet eindigen bij de afschaffing van slavernij’
De commissie stelt dat de Nederlandse koloniale geschiedenis niet ophield met de formele afschaffing van de slavernij. Na 1863 werd voor de plantage-economie in Suriname gebruikgemaakt van contractarbeiders uit onder meer Brits-Indië.
Tussen 1873 en 1916 arriveerden meer dan 34.000 arbeiders uit Brits-Indië in Suriname. De eerste groep arriveerde op 5 juni 1873 met het schip Lalla Rookh. De contractarbeid kwam voort uit een overeenkomst tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
De Nederlandse overheid heeft in het verleden zelf gewezen op de moeilijke omstandigheden waaronder deze arbeiders terechtkwamen.
Tijdens de herdenking van 150 jaar Hindostaanse immigratie stelde toenmalig minister Robbert Dijkgraaf dat de contractarbeiders betaald werden en juridisch geen eigendom waren, maar dat zij onder meer te maken kregen met slechte medische voorzieningen, lijfstraffen en slechte huisvesting.
Een jaar later stelde Dijkgraaf namens het kabinet dat het hoofdstuk van de contractarbeid voortkwam uit dezelfde koloniale motieven als het voorafgaande systeem van slavernij, waaronder volgens hem onrechtvaardigheid, misplaatste superioriteit en discriminatie.
‘De tot koelie gemaakten’
Een belangrijk onderdeel van het verzoek van de commissie is het boek De tot koelie gemaakten van historicus Radjinder Bhagwanbali.
In de herziene editie, die in mei 2026 verscheen, beschrijft Bhagwanbali de werving, het transport, de huisvesting, arbeidsomstandigheden en het strafstelsel waaronder Hindoestaanse contractarbeiders in Suriname leefden.
De term ‘tot koelie gemaakten’ wordt door Bhagwanbali bewust gebruikt om te benadrukken dat ‘koelie’ volgens zijn interpretatie geen natuurlijke identiteit van de arbeiders was, maar een positie die binnen het koloniale arbeidssysteem werd gecreëerd.
De commissie onderschrijft deze benadering en spreekt van structurele misstanden die zij kwalificeert als systematische mensenrechtenschendingen.
Dat is nadrukkelijk de kwalificatie van de commissie; binnen de historische en wetenschappelijke discussie bestaan verschillende interpretaties van de aard van het contractarbeidsstelsel.
Zo wordt door andere onderzoekers juist gewezen op de juridische en historische verschillen tussen contractarbeid en slavernij.
Nieuwe aandacht voor contractarbeid
De oproep komt op een moment waarop ook in Nederland de geschiedenis van contractarbeid nadrukkelijker onderdeel wordt van het maatschappelijke debat.
De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) publiceerde op 30 september 2026 het advies Contractarbeid en historische gelijkwaardigheid.
Daarin wordt gesteld dat de geschiedenis van Chinese, Hindostaanse en Javaanse contractarbeid in Suriname nog onvoldoende is verankerd in het Nederlandse collectieve geheugen.
De commissie ziet deze ontwikkeling als ondersteuning voor haar oproep om niet uitsluitend naar het slavernijverleden te kijken, maar ook naar de koloniale arbeidsstructuren die daarna in Suriname werden voortgezet.
Vraagtekens bij onderzoek naar de Oranjes
Een belangrijk punt in de brief aan de koning is de vraag of de specifieke rol van het Huis Oranje-Nassau bij de Hindoestaanse contractarbeid daadwerkelijk afzonderlijk en systematisch is onderzocht.
Het onderzoek naar de Oranjes werd onafhankelijk uitgevoerd aan de Universiteit Leiden. Volgens het Koninklijk Huis bepaalde het Koninklijk Huis niet hoe het onderzoek werd uitgevoerd of hoe de resultaten werden geformuleerd. De onderzoekers kregen wel toegang tot relevante bronnen uit de particuliere archieven van het Koninklijk Huis.
De commissie stelt dat uit de publiek beschikbare informatie vooralsnog niet blijkt dat de specifieke relatie tussen het Huis Oranje-Nassau en het systeem van Hindoestaanse contractarbeid als afzonderlijke onderzoeksvraag is onderzocht.
Daarbij maakt de commissie zelf een voorbehoud: om dit definitief vast te stellen zouden de volledige teksten, notenapparaten en registers van de vijf publicaties moeten worden gecontroleerd.
Koning erkende eerder belang van kwestie
Volgens de commissie is de kwestie bovendien al eerder rechtstreeks onder de aandacht van de koning gebracht. Het Kabinet van de Koning liet de commissie in maart 2025 weten dat Willem-Alexander haar kwestie belangrijk vond en dat de geschiedenis van de Hindoestaanse en Javaanse contractarbeid onderdeel uitmaakte van het onderzoek naar de koloniale geschiedenis van het Huis Oranje-Nassau.
De commissie zegt dat daardoor de verwachting ontstond dat ook de specifieke positie van de Hindoestaanse contractarbeiders en de mogelijke betrokkenheid van het Huis bij het systeem serieus zouden worden onderzocht.
Tijdens zijn bezoek aan Suriname in december 2025 verwees koning Willem-Alexander zelf naar het gedeelde koloniale verleden van Nederland en Suriname en noemde hij naast koloniale uitbuiting en slavernij ook expliciet contractarbeid. Hij stelde dat familieverhalen over deze geschiedenis van wezenlijke betekenis zijn en niet mogen worden vergeten.
Geen verzoek om liefdadigheid
De Commissie Excuses voor Hindoestanen benadrukt dat haar verzoek volgens haar niet primair gericht is op financiële compensatie.
“De nazaten vragen niet om medelijden”, schrijft voorzitter dr. drs. R. Bhagwanbali. Volgens de commissie gaat het in de eerste plaats om erkenning van het historische onrecht, duidelijkheid over institutionele verantwoordelijkheid en een publieke erkenning wanneer de historische feiten daar aanleiding toe geven.
De commissie vindt dat excuses alleen betekenis hebben wanneer duidelijk is waarvoor excuses worden aangeboden. Zij vraagt daarom niet alleen om een algemene spijtbetuiging, maar om erkenning van de historische omstandigheden en onderzoek naar de verantwoordelijkheid van de Nederlandse koloniale staat en, waar de historische feiten dat rechtvaardigen, het Huis Oranje-Nassau.
Reactie vóór eind november gevraagd
De commissie heeft vier concrete vragen aan de koning voorgelegd. Zij wil weten op welke wijze De tot koelie gemaakten bij de beoordeling van de koloniale geschiedenis is betrokken, in hoeverre de rol van het Huis Oranje-Nassau bij de Hindoestaanse contractarbeid afzonderlijk is onderzocht en hoe eventuele lacunes in dat onderzoek kunnen worden hersteld.
Daarnaast vraagt de commissie om een gesprek met vertegenwoordigers van de nazaten over erkenning, verantwoordelijkheid en de wijze waarop publieke excuses betekenisvol zouden kunnen worden vormgegeven.
De commissie verzoekt de koning uiterlijk vóór het einde van november 2026 inhoudelijk te reageren.
Breder debat over herstel
De discussie over contractarbeid vindt plaats binnen een bredere Nederlandse discussie over erkenning en herstel van het koloniale verleden.
In 2022 bood de Nederlandse regering excuses aan voor het slavernijverleden. Sindsdien heeft Nederland verschillende programma’s opgezet gericht op onder meer bewustwording, kennis, herdenking en maatschappelijke initiatieven.
Premier Rob Jetten zei recent, na de publicatie van het onderzoek naar het Huis Oranje-Nassau, dat Nederland na de eerdere excuses vooral vooruit moet kijken naar gezamenlijke initiatieven, kansengelijkheid en het vergroten van het bewustzijn over de doorwerking van het koloniale verleden.
Tegelijkertijd wees hij op de meerjarige programma’s die Nederland naar aanleiding van de excuses heeft opgezet.
De Commissie Excuses voor Hindoestanen wil dat binnen die bredere herstelagenda ook de geschiedenis van de Hindoestaanse contractarbeid een zelfstandige plaats krijgt.
Voor de commissie staat daarmee een principiële vraag centraal: kan Nederland spreken over herstel van het koloniale verleden wanneer een belangrijk deel van de geschiedenis van de contractarbeiders en de verantwoordelijkheid voor het systeem volgens haar nog onvoldoende is erkend?
Het antwoord daarop ligt volgens de commissie nu bij de Nederlandse koning en regering.






