NPS-parlementariër Poetini Atompai vindt dat de aangekondigde loonsverhoging van 15 procent gericht moet worden op werknemers die deze het hardst nodig hebben.
Volgens hem moet de verhoging gelden voor medewerkers tot en met het niveau van directeur, terwijl politieke en andere topfuncties buiten de regeling moeten vallen.
Geen verhoging voor politieke en juridische topfuncties
Atompai zegt de president te hebben gevraagd om de verhoging nadrukkelijk te beperken tot medewerkers tot en met het niveau van directeur. Daarboven zou volgens hem geen aanspraak mogen worden gemaakt op de 15 procent.
Dat betekent volgens de NPS-parlementariër dat leden van De Nationale Assemblée, leden van de regering, functionarissen binnen het Openbaar Ministerie en leden van de rechterlijke macht niet voor de verhoging in aanmerking zouden moeten komen.
Atompai trekt daarbij ook de consequentie voor zichzelf. „Ook ik als DNA-lid hoor die 15 procent niet te krijgen”, stelt hij.
Solidariteit moet ook aan de top zichtbaar zijn
De uitspraak van Atompai raakt aan een bredere discussie over de verdeling van schaarse overheidsmiddelen. Wanneer de overheid besluit de salarissen te verhogen vanwege de hoge kosten van levensonderhoud, ligt het volgens hem voor de hand om prioriteit te geven aan werknemers voor wie een salarisverhoging daadwerkelijk verschil maakt in hun dagelijkse bestaan.
Voor parlementariërs, ministers en andere hooggeplaatste functionarissen ligt dat volgens deze redenering anders.
Het zou moeilijk uit te leggen zijn wanneer juist degenen met relatief hoge inkomens dezelfde procentuele verhoging ontvangen als werknemers die moeite hebben om de maandelijkse kosten te dragen.
Een uniforme verhoging klinkt rechtvaardig, maar is dat volgens Atompai niet noodzakelijk in de praktijk.
15 procent is niet voldoende
Tegelijkertijd waarschuwt Atompai ervoor dat de discussie niet mag eindigen bij de aangekondigde 15 procent. Hij benadrukt dat deze verhoging volgens hem onvoldoende is.
“Voor alle duidelijkheid: die 15 procent is niet voldoende”, aldus de parlementariër. Hij roept echter op om het bedrag niet af te wijzen.
Daarmee verschuift de discussie van de vraag óf werknemers meer moeten verdienen naar de vraag hoeveel nodig is om daadwerkelijk iets te doen aan hun koopkracht.
Koopkracht blijft het echte probleem
Een salarisverhoging heeft immers pas betekenis wanneer werknemers er in de praktijk financieel op vooruitgaan. Als de kosten van voeding, vervoer, huisvesting, energie en andere basisbehoeften sneller stijgen dan het inkomen, kan zelfs een aanzienlijke procentuele verhoging onvoldoende blijken.
Daarom zal de regering niet alleen moeten kijken naar het percentage dat op papier wordt toegekend, maar vooral naar de reële koopkracht van werknemers.
De oproep van Atompai legt daarnaast een belangrijk principe op tafel: wie politieke verantwoordelijkheid draagt en aan de top van het staatsapparaat staat, moet ook bereid zijn offers te brengen wanneer de financiële ruimte beperkt is.
De discussie over de 15 procent loonsverhoging gaat daarmee niet alleen over geld. Het gaat ook over solidariteit, rechtvaardigheid en de vraag wie als eerste moet profiteren wanneer de overheid beperkte middelen beschikbaar heeft.
Als de verhoging bedoeld is om werknemers door een moeilijke economische periode heen te helpen, dan zou volgens Atompai de prioriteit duidelijk moeten liggen bij degenen die het salaris daadwerkelijk nodig hebben — en niet bij degenen die zich aan de top van de inkomensladder bevinden.






