De maatschappelijke discussie over de hoogte van salarissen en toelagen binnen de drie machten van de staat is opnieuw opgelaaid.
Aanleiding zijn recente berichten over de beloning van de procureur-generaal, leden van de rechterlijke macht, het parlement en topfunctionarissen binnen het bestuur.
In dat licht stelt bestuurskundige August Boldewijn dat het niet vanzelfsprekend is dat de president per definitie het hoogste salaris moet ontvangen.
Grote verschillen zorgen voor publieke onrust
In de samenleving bestaat toenemende onvrede over het feit dat bepaalde functionarissen binnen de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie — met name de procureur-generaal — structureel tot de best betaalde ambtsdragers behoren, terwijl volksvertegenwoordigers en bestuurders tegelijkertijd pleiten voor soberheid vanwege de economische situatie.
Ook de vergoedingen, emolumenten en bijkomende faciliteiten van parlementariërs en leden van het uitvoerend bestuur liggen onder een vergrootglas.
Critici wijzen erop dat deze beloningen steeds moeilijker te rijmen zijn met de financiële problemen in sectoren als onderwijs en gezondheidszorg.
Boldewijn: salaris is geen maat voor verantwoordelijkheid
In een toelichting benadrukte Boldewijn dat het salaris van een ambtsdrager niet automatisch de omvang van diens verantwoordelijkheid of macht weerspiegelt.
“Een salaris bestaat uit verschillende componenten. Het is dus niet correct om uitsluitend naar het bruto bedrag te kijken,” aldus de bestuurskundige.
Volgens hem is het fout om salarissen binnen de staatsmachten uitsluitend te beoordelen op basis van functie-analyse of hiërarchie.
Gezag en symboliek van het presidentschap
Boldewijn erkent echter dat het presidentschap een unieke gezagspositie inneemt binnen het staatsbestel. Vanuit dat perspectief acht hij het onwenselijk dat een president structureel minder zou verdienen dan hoge ambtenaren of functionarissen binnen het eigen ministerie.
“Het salaris van de president moet vooral een gezagselement zijn — een symbolische bevestiging van positie en leiderschap — en niet per se een technische afspiegeling van taken en verantwoordelijkheden,” stelt hij.
Rechterlijke macht en onafhankelijkheid als argument
In het publieke debat wordt bij de hoge beloning van de rechterlijke macht en de procureur-generaal vaak gewezen op het belang van onafhankelijkheid, integriteit en bescherming tegen beïnvloeding.
Tegelijkertijd groeit de kritiek dat deze argumenten steeds moeilijker uit te leggen zijn aan een bevolking die kampt met koopkrachtverlies en stijgende kosten van levensonderhoud.
Boldewijn pleit daarom voor een consistent, transparant en maatschappelijk uitlegbaar beloningsbeleid voor alle staatsmachten.
Volgens hem is het gebrek aan samenhang juist de reden dat elke aanpassing of verhoging leidt tot maatschappelijke onrust.
“Zolang er geen helder kader is waarin salarissen van de president, het parlement, de rechterlijke macht en het bestuur logisch tot elkaar verhouden, blijft het wantrouwen bestaan,” aldus Boldewijn.







