Maya Parbhoe van de Nationale Partij Suriname (NPS) heeft scherpe kritiek geuit op de inkomensstructuren binnen de Surinaamse overheid, met name in relatie tot de recente openbaring van het inkomen van de procureur-generaal (PG).
Volgens Parbhoe is het “ronduit belachelijk” dat de PG meer zou verdienen dan de leiders van grote westerse landen — en aanzienlijk meer dan zijn tegenhanger in Nederland.
Salaris PG ligt fors boven internationale norm
Een circulerende loonstrook toont aan dat de procureur-generaal in Suriname een totale maandelijkse loonsom heeft van SRD 1.415.689,30, met een netto-uitbetaling van meer dan SRD 1.028.420,73 per maand. Dit leidt tot brede maatschappelijke discussie, vooral gezien de huidige economische druk in het land.
Ter vergelijking: in Nederland ligt het salaris van een procureur-generaal bij het Openbaar Ministerie volgens openbare gegevens tussen ca. €9.000 en €11.000 per maand, ofwel rond SRD 100.000 à SRD 120.000 (op basis van koers en omzetting), wat een fractie is van het salaris zoals nu in Suriname wordt genoemd.
Vergelijking met staatshoofden
Het salaris van de president van Suriname bedraagt volgens recente informatie ongeveer SRD 130.000 bruto per maand, inclusief toelagen — aanzienlijk lager dan de gesuggereerde beloning van de PG.
In internationale context verdienen staatshoofden zoals die van de Verenigde Staten rond USD 400.000 per jaar (SRD 2,8 miljoen per jaar of SRD 233.000 per maand), en politici in Duitsland en Canada vergelijkbare bedragen in verhouding tot hun economieën.
Parbhoe benadrukt dat wanneer de PG meer verdient dan de president van landen zoals de VS, Duitsland of Canada, en bijna vier keer zoveel als collega’s in Nederland, “dat tot nadenken moet stemmen”.
Politieke en maatschappelijke impact
De politica stelt dat dergelijke inkomensverhoudingen vragen oproepen over prioriteiten, transparantie en proportionaliteit binnen het openbaar bestuur.
Zij roept op tot een grondige evaluatie van wettelijke bepalingen, salarisschalen en de verhouding tussen beloning en maatschappelijke economische realiteit.
Parbhoe benadrukt dat het debat niet alleen gaat om individuele lonen, maar om de legitimiteit van publieke uitgaven, zeker in tijden waarin burgers worstelen met stijgende kosten van levensonderhoud en koopkrachtproblemen.







