In 2020 bevond Suriname zich in een acute financiële crisis. De staatskas was nagenoeg leeg, de staatsschuld hoog en het vertrouwen in de financiële instituties ernstig aangetast.
Dat was geen politieke interpretatie, maar een feitelijke constatering die nationaal en internationaal werd bevestigd.
De economische situatie was het resultaat van structurele onevenwichtigheden die zich in de voorafgaande jaren hadden opgebouwd, versterkt door de wereldwijde COVID-19-pandemie. Tegen die achtergrond koos de regering onder president Chan Santokhi voor een noodpad: macro-economische stabilisatie via het Internationaal Monetair Fonds.
IMF-programma pijnlijk
Het IMF-programma was ingrijpend en sociaal pijnlijk. Het vereiste bezuinigingen, hervormingen en het doorbreken van patronen die jarenlang politiek waren ontzien.
Die keuze was echter geen uitdrukking van beleidsvoorkeur, maar van noodzaak: zonder ingrijpen dreigde wanbetaling en verdere economische ontwrichting. Dat het programma politiek draagvlak kostte, is begrijpelijk.
Dat het uiteindelijk leidde tot electorale afstraffing, is een legitieme uitkomst binnen een democratisch bestel.
Democratie veronderstelt echter meer dan het periodiek afrekenen van regeringen.
Zij veronderstelt ook collectief geheugen en consistente maatstaven. En juist daar ontstaat vandaag een spanningsveld dat niet genegeerd mag worden.
2020 versus 2025/2026: een gewijzigde uitgangspositie
Ter duiding is het relevant het verschil in uitgangspositie te benoemen. In 2020 bedroeg de staatsschuld circa USD 4,1 miljard, terwijl de internationale reserves kritisch laag waren.
Begin dat jaar werd publiekelijk bekend dat bij de Centrale Bank van Suriname aangehouden middelen van commerciële banken niet vrij beschikbaar waren, wat het vertrouwen verder ondermijnde en de feitelijke kaspositie kwetsbaar maakte.
In de jaren daarna is de financiële positie gewijzigd. Door schuldherschikkingen en steun vanuit het IMF zijn de internationale reserves toegenomen en is de schuldquote ten opzichte van het bruto binnenlands product gedaald.
Anno 2025/2026 blijft de nominale staatsschuld hoog — mede door wisselkoerseffecten na devaluaties van de SRD — maar bedraagt deze volgens recente ramingen circa USD 3,7 miljard (ongeveer SRD 139 miljard).
De schuld-BBP-ratio is daarmee gedaald van niveaus boven de 140% in 2020 naar circa 85–90% in 2025.
Ook de reservepositie laat een duidelijk ander beeld zien dan in 2020.
Waar destijds sprake was van een acute tekortsituatie, is eind 2025 sprake van internationale reserves van circa USD 1,5 miljard, goed voor meerdere maanden importdekking.
Deze verbeteringen wijzen op een grotere macro-economische stabiliteit dan in 2020, maar nemen niet weg dat de schuldenlast in absolute zin hoog blijft.
De kernvraag
Suriname gaat opnieuw omvangrijke leningen aan. Niet in een acute crisissituatie zoals in 2020, maar als bewuste beleidskeuze binnen herstelde toegang tot internationale financiering. Het publieke debat hierover is opvallend minder scherp.
Waar lenen enkele jaren geleden werd gepresenteerd als nationaal falen, wordt vergelijkbaar beleid nu vaker beschouwd als normaal bestuur.
Dit roept een ongemakkelijke, maar legitieme vraag op: waarom wordt identiek beleid verschillend beoordeeld, afhankelijk van het moment en de uitvoerder?
De feiten bieden houvast
De structurele schuldopbouw vond grotendeels plaats in de periode 2010–2020, onder opeenvolgende regeringen van de Nationale Democratische Partij.
Het IMF-programma onder Santokhi was geen beleidskeuze uit luxe, maar crisisbeheer in een context van beperkte alternatieven.
Nieuwe leningen vandaag creëren opnieuw toekomstige verplichtingen voor dezelfde samenleving, ongeacht welke regering ze afsluit.
Het gaat hier niet om partijpolitiek, maar om beoordelingskaders. In samenlevingen waar het vertrouwen in publieke instituties langdurig is uitgehold, laat zowel academisch onderzoek als bestuurlijke praktijk zien dat identiteit en groepsloyaliteit soms zwaarder wegen dan beleidsinhoud.
Dat is geen normatief oordeel over kiezers, maar een analytische vaststelling over menselijk gedrag in contexten van onzekerheid en teleurstelling.
Juist daarom is het van belang beleid consequent te beoordelen op inhoud, proportionaliteit en context niet op de persoon die het uitvoert.
Dat brengt een principiële vraag met zich mee: zou dezelfde beleidskeuze in 2020 op dezelfde wijze zijn beoordeeld als zij door een andere president was genomen?
Het stellen van die vraag is geen insinuatie, maar een toets. Wanneer identiek beleid afhankelijk van politieke herkomst verschillend wordt gewaardeerd, verschuift het debat van inhoud naar emotie.
Dat is begrijpelijk, maar bestuurlijk riskant
Dit betoog is geen verwijt aan kiezers, maar een appel op volwassen burgerschap en publieke verantwoordelijkheid. Verkiezingen wissen schulden niet uit.
Machtswissels laten financiële verplichtingen niet verdwijnen. De rekening van vandaag wordt betaald door de samenleving van morgen, ongeacht de politieke kleur van de regering die haar uitschrijft.
De kernvraag is daarom niet wie regeert, maar wanneer we bereid zijn beleid consequent te beoordelen met dezelfde maatstaven, in verschillende tijden.
Alleen dan kan een democratie leren van haar eigen geschiedenis, in plaats van haar te herhalen!
Ch. Nagessar LLB
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud








