De voorzitter van Stichting Wan Okasi, Aniel Koendjbiharie, heeft deze week deelgenomen aan de BioGov GBA Plus workshop, georganiseerd door het Ministerie van Olie, Gas en Milieu in samenwerking met Alinea International.
De workshop stond in het teken van inclusief en genderresponsief biodiversiteitsbeleid en behandelde thema’s als Gender-Based Analysis Plus (GBA Plus), intersectionaliteit, en het principe van Free, Prior and Informed Consent (FPIC).
Mensen met een beperking een onzichtbare meerderheid
Als panellid maakte de heer Koendjbiharie een inhoudelijk statement waarin hij de structurele afwezigheid van mensen met een beperking in het biodiversiteitsbeleid aan de orde stelde.
Hij wees op een opvallend gegeven: bij het Ministerie van Sociale Zaken staan circa 12.000 personen geregistreerd als mensen met een beperking.
Maar op basis van de internationale norm van de Wereldgezondheidsorganisatie — 10 procent van de bevolking — zou Suriname minimaal 45.000 tot 60.000 mensen met een beperking moeten tellen.
“Wij zien die mensen niet. Maar dat betekent niet dat zij er niet zijn. Het betekent dat het systeem hen niet ziet,” aldus Koendjbiharie.
Hij stelde dat dit geen statistisch detail is, maar een bewijs van structurele uitsluiting die doorwerkt in beleid, consultaties en projectuitvoering.
FPIC zonder toegankelijkheid is geen FPIC
Een centraal punt in zijn bijdrage betrof het principe van Free, Prior and Informed Consent. Koendjbiharie stelde dat wanneer consultaties plaatsvinden in gebouwen zonder rolstoeltoegang, zonder gebarentaaltolk en zonder toegankelijke informatie, mensen met een beperking feitelijk worden buitengesloten van besluitvorming.
“Als iemand niet kan deelnemen, kan hij ook geen vrije en geïnformeerde instemming geven. Zonder inclusie van mensen met een beperking is FPIC niet volledig.”
Hij overhandigde in een eerdere sessie tevens een position paper waarin concrete aanbevelingen worden gedaan voor structurele betrokkenheid van mensen met een beperking binnen BioGov en het bredere Surinaamse biodiversiteitsbeleid.
Theorie en praktijk: een kritische noot
Koendjbiharie plaatste ook een kritische kanttekening bij de bredere beleidscontext. Hij stelde dat de workshop waardevolle inzichten en actiepunten heeft opgeleverd, maar dat de vraag blijft hoe deze in de praktijk uitvoerbaar zijn. “Wat hier wordt besproken is goede theorie. Maar de praktijk is een andere.”
Hij verwees naar de goudwinning in Suriname, die inheemse en tribale gemeenschappen direct raakt en de natuur verder aantast — beleid dat afkomstig is van dezelfde overheid die nu inclusief beleid bepleit.
“Wij kunnen hier mooie actiepunten formuleren, maar als het overheidsbeleid daar niet mee in overeenstemming is, wie voert die actiepunten dan uit?”
Workshop als stap vooruit, ondanks openstaande vragen
Ondanks deze kritische noten beoordeelt Stichting Wan Okasi de workshop als waardevol en leerzaam. De thema’s die aan bod kwamen — intersectionaliteit, genderresponsief beleid, en de rechten van kwetsbare groepen — zijn relevant en noodzakelijk.
Stichting Wan Okasi roept het BioGov-programma en het Ministerie van Olie, Gas en Milieu op om organisaties van mensen met een beperking formeel te betrekken als structurele partners in beleidsvorming en uitvoering — niet als toehoorders, maar als gelijkwaardige deelnemers.
Dit is geen gunst, maar een verplichting voortvloeiend uit het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat Suriname heeft geratificeerd.







