Van spaarzame Hindoestaan naar consumptieve Hindoestaan

INGEZONDENDecennialang typeerde de Hindoestaan zich door spaarzaamheid. Wat is de verklaring hiervoor?

Ik citeer uit het boek Creolen en Hindostanen van Bim Mungra en Fred Budike: ‘’ In tegenstelling tot de Creool, die vooral als maand- of weekloner werkzaam was en dus over geregelde inkomsten kon beschikken, was de Hindoestaan als landbouwer genoodzaakt spaarzaam te zijn. Door de fluctuerende marktprijzen en de kans op misoogst was hij nooit zeker van zijn inkomsten. Dit leidde tot een geheel ander economisch gedrag.’’

Naast de landbouw werd de handel een economische sector die voor de Hindoestanen mogelijkheden bood.

In de districten was de toenemende economische betekenis van de groep merkbaar aan de vele rijstpelmolens en houtzaagbedrijven die werden opgezet.

Ondanks deze economische vooruitgang veranderde de positie van de Hindoestaanse gemeenschap in de sociale structuur van het land slechts langzaam. Nog steeds werden ze als tweederangs burgers beschouwd.

Door allerlei omstandigheden trad er in het acculturatieproces een acceleratie op. Factoren die hierbij een rol speelden waren de Westerse invloeden, toenemende urbanisatie en hun politieke participatie.

De economische expansie van de Hindoestanen zette zich in de loop der jaren voort. In Paramaribo nam het aantal Hindoestaanse winkels snel toe.

Beroepsambities na 1940

Na 1940 trad een verschuiving op in de beroepsambitie bij Hindoestanen. Niet langer bleven de landbouw en de handel de enige perspectieven. Meer en meer kwamen nu de ambtelijke functies en de vrije beroepen binnen de belangstelling te liggen van de Hindoestaan.

Daardoor begaf hij zich op een terrein dat jarenlang door de Creoolse groep als een monopolie was beschouwd. Citaat uit het boek (1986): ‘’Voor een belangrijk deel kunnen de huidige spanningen tussen deze beide groepen dan ook op economische naijver worden teruggebracht.’’

Economische mentaliteit

Uit deze korte historische beschouwing is duidelijk geworden hoe de economische positie van de Hindoestanen zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.

Bronkhurst haalt in zijn boek The Colony of British Guiana and its labouring population een gesprek aan tussen een Portugese winkelier en een Creool.

Men hoeft slechts het woord Portugees door Hindoestaan te vervangen om er een Surinaamse anekdote van te maken:

Creool: ‘’Hoe komt het dat er geen zwarte winkeliers zijn?’’
Portugese winkelier: ‘’Als een Portugees negen dollar heeft verdiend, geeft hij er zes uit en legt hij er drie opzij. Maar als een zwarte negen dollar heeft verdiend, geeft hij er achttien uit.”
Creool (lachend): ‘’ Hoe kom je daarbij?’’
Portugees: ‘’Nou, dat zit zo. Als een zwarte negen dollar heeft verdiend, geeft hij ze alle negen uit en steekt zich voor nog eens negen in de schulden, en die laatste negen betaalt hij nooit terug.’’

Ik ben geen ‘’chaperha’’

Deze anekdote doet mij denken aan ex-minister Hoefdraad en zijn leenbeleid. Recentelijk zei minister Achaibersingh:’’Ik zal nooit onderduiken als een lafaard. Ik ben geen chaperha.” Dit laatste woord verwijst naar een Hindoestaanse uiting van boosheid jegens een geldverkwistende vernietiger.

Tegenwoordig zijn er heel veel Hindoestaanse intellectuelen in ambtelijke functies en de vrije beroepen, wat op zich een prestatie is van hun grootouders die als ongeletterde boeren uit India kwamen.

In de politieke geschiedenis van Suriname zijn de premiers en presidenten bijna altijd niet-Hindoestanen geweest, waardoor anno 2021 sommige Creolen nog moeten wennen aan een Hindoestaanse president Santokhi met zijn Hindoestaanse ministers als politieke bazen.

Verbroederingspolitiek opnieuw nodig?

Het kan nooit de bedoeling zijn dat het presidentschap het monopolie is van de Creoolse bevolkingsgroep. President Santokhi heeft recentelijk uitgesproken dat nationale eenheid belangrijk is voor de ontwikkeling van het land.

Helaas zien we nu een trend dat sommige Creolen geen ‘’Surinamers’’ meer zien, maar alleen de H van Hindoestanen, zelfs het kapitaal en de diaspora heten dan Hindoestaans.

Hoe kan het dat vijf Hindoestaanse intellectuelen bezig zijn met een overheids nv? Dat is ‘’geheimzinnig’’ is dan de verkeerde gedachte. Misschien moeten Santokhi en Brunswijk de vroegere verbroederingspolitiek van Lachmon opnieuw en nadrukkelijk voeren.

Braithwaite (schrijver van een boek) voert voor de economische mentaliteit van de Creool nog een andere, meer psychologische verklaring aan.

Hij stelt dat de Creool uit de volksklasse zijn opvoeding krijgt in een gezin waarin de moeder de dominante figuur is, omdat de vader vaak ontbreekt.

Het is dit opvoedingsklimaat dat de vorming van een persoonlijkheid met initiatief, noodzakelijk voor zaken, verhindert.

In het Hindoestaanse gezin is de vader de autoriteit, waaraan iedereen eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd is. Door de identificatie met de vaderfiguur wordt de Hindoestaanse jongeman gevormd tot een ambitieus man.

Binnen de Hindoestaanse groep heerst er een sfeer van wedijver, competitie en onderlinge rivaliteit.

Anno 2021 is zichtbaar dat het behoeften en bestedingspatroon van Hindoestaanse jongeren heel erg verschilt met die van de oudere generatie.

Die waren zuinig en spaarzaam en hadden andere prioriteiten met hun eenvoudig boerenleven, waarbij ze soms alleen rijst met melk aten.

Nu willen Hindoestanen graag pronken met hun succes en moderniteit. De spaarzaamheid heeft plaatsgemaakt voor een meer consumptieve leefstijl.

Mohan Goerdin, politiek analist

Publicatie van ingezonden stukken houdt niet in dat de redactie het eens is met de inhoud. Wenst ook u een ingezonden stuk te publiceren? Mail dit naar [email protected]

BEKIJK OOK: “Vooral” Hindoestanen kunnen ontwikkeling brengen! Onze ogen zijn geopend door Prof. Henri Ori

Overige berichten