De Vereniging Surinaamse Nederlanders (VSN) vraagt opnieuw aandacht voor de slepende kwestie rond de uitvoering van de Toescheidingsovereenkomst (TO) tussen Suriname en Nederland, in het bijzonder artikel 5, tweede en derde lid, in de zaak van Mahenderpersad (Mahin) Jankie en anderen.
Volgens de VSN heeft de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IACHR) de kwestie al geruime tijd in behandeling.
In officiële VN-documentatie wordt zaak 13.305, Mahenderpersad Jankie, inderdaad genoemd als een zaak in de merits-fase bij de IACHR.
De VSN stelt dat Suriname op 18 augustus 2026 opnieuw is verzocht om op de kwestie te reageren en dat dit volgens de vereniging een laatste mogelijkheid zou zijn om tot een minnelijke oplossing te komen.
Die specifieke brief van 18 augustus 2026 kon in de publiek beschikbare online bronnen niet onafhankelijk worden geverifieerd.
Daarom presenteert dit bericht de bewering daarover als een standpunt van de VSN en niet als een zelfstandig vastgesteld feit.
Artikel 5 staat centraal in het geschil
De kern van de kwestie betreft artikel 5 van de Toescheidingsovereenkomst, het verdrag dat op 25 november 1975 in Paramaribo werd gesloten en op dezelfde dag in werking trad.
Het verdrag regelt onder meer de verdeling van nationaliteiten bij de onafhankelijkheid van Suriname. De overeenkomst is volgens de Nederlandse Verdragenbank nog steeds van kracht.
Artikel 5, tweede lid, bepaalt dat de daarin bedoelde personen het recht hebben om te allen tijde met hun gezin onvoorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden behandeld. Het derde lid breidt dit recht uit tot de echtgenoten en bepaalde kinderen van deze personen.
Juist de uitleg en toepassing van deze bepalingen vormen al jarenlang een juridisch en politiek discussiepunt tussen betrokken Surinamers en de Staat.
Toescheidingsovereenkomst is nog altijd rechtsgeldig
Een belangrijk element in de huidige discussie is dat de Toescheidingsovereenkomst als verdrag niet is vervallen.
De Nederlandse Verdragenbank vermeldt de overeenkomst als in werking en niet buiten werking. Ook de geconsolideerde tekst van het verdrag is nog steeds gepubliceerd als geldend recht.
Daarbij is in 1994 een protocol gesloten waarmee artikel 5, tweede lid, werd gewijzigd. De oorspronkelijke bepaling dat bepaalde personen na twee jaar verblijf in Suriname van rechtswege de Surinaamse nationaliteit zouden verkrijgen, werd geschrapt.
Die wijziging werkt terug tot 1 januari 1986. De overige rechten van artikel 5, waaronder de toelatings- en behandelingsrechten, zijn daarmee niet als geheel afgeschaft.
Dat onderscheid is juridisch van groot belang.
Surinaamse rechter bevestigde eerder rechtskracht van de overeenkomst
Ook binnen de Surinaamse rechtspraak is de Toescheidingsovereenkomst onderwerp van procedures geweest.
Het Hof van Justitie oordeelde in een uitspraak van 3 augustus 2007 dat de Toescheidingsovereenkomst nog steeds rechtskracht had.
In die zaak werd onder meer verwezen naar de rechten die artikel 5 aan bepaalde personen toekent, waaronder het recht om te worden toegelaten en gedurende verblijf in Suriname als Surinaamse staatsburger te worden behandeld.
Het Hof vernietigde in die procedure uiteindelijk een eerder kortgedingvonnis in de zaak Jankie, maar deed daarmee volgens berichtgeving uit die periode geen uitspraak dat de Toescheidingsovereenkomst als zodanig ongeldig was.
De juridische discussie gaat daarmee niet eenvoudigweg over de vraag of de TO bestaat. De veel ingewikkeldere vraag is hoe de relevante bepalingen moeten worden uitgelegd en welke concrete rechten daaruit voor individuele personen voortvloeien.
Zaak Jankie al jarenlang onderwerp van internationale aandacht
De zaak van Mahin Jankie is niet nieuw. De kwestie heeft zich gedurende vele jaren ontwikkeld van een nationaal juridisch geschil tot een onderwerp dat ook internationaal onder de aandacht is gebracht.
Een officiële VN-publicatie uit 2022 vermeldt zaak 13.305, Mahenderpersad Jankie et al., expliciet in het overzicht van zaken bij de Inter-Amerikaanse Commissie en vermeldt de procedurele fase als merits.
De kwestie behoort daarmee tot een reeks Surinaamse zaken die bij de Inter-Amerikaanse mensenrechtenmechanismen aanhangig zijn of zijn geweest.
Niet automatisch een zaak voor het Mensenrechtenhof
De VSN stelt dat, wanneer Suriname niet reageert, de zaak naar verwachting voor het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens in Costa Rica kan worden gebracht.
Daarbij is enige juridische nuance noodzakelijk. Een zaak bij de IACHR gaat niet automatisch naar het Inter-Amerikaanse Hof. De Commissie beoordeelt de zaak en kan, onder de voorwaarden van het Amerikaanse mensenrechtenstelsel, een zaak aan het Hof voorleggen.
Suriname heeft volgens VN-documentatie in november 1987 het Amerikaans Verdrag voor de Rechten van de Mens geratificeerd en de rechtsmacht van het Inter-Amerikaanse Hof aanvaard.
Een eventuele verwijzing van zaak 13.305 naar het Hof zou daarom een belangrijke volgende stap zijn, maar kan niet zonder een actuele officiële mededeling van de IACHR als vaststaand worden gepresenteerd.
VSN verwijt Suriname gebrek aan communicatie
De VSN is bijzonder kritisch over de wijze waarop de Surinaamse autoriteiten volgens de organisatie met de kwestie omgaan.
Volgens de vereniging heeft Suriname onvoldoende gereageerd op eerdere verzoeken en pogingen om tot een oplossing te komen.
De organisatie stelt dat hierdoor niet alleen de positie van Jankie en andere betrokkenen wordt geraakt, maar ook het vertrouwen in de bereidheid van Suriname om internationale verplichtingen na te leven.
De kwestie krijgt daardoor een bredere betekenis dan alleen het individuele belang van één persoon.
Ook Nederland wordt aangesproken
De VSN richt haar kritiek niet uitsluitend op Paramaribo. Ook Nederland wordt verantwoordelijk gehouden voor het naleven en bevorderen van de uitvoering van de afspraken die bij de onafhankelijkheid zijn gemaakt.
De organisatie verwijst daarbij naar artikel 90 van de Nederlandse Grondwet, waarin staat dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert.
Ook wordt verwezen naar het internationale verdragsrechtelijke beginsel pacta sunt servanda: verdragen die rechtsgeldig zijn gesloten, moeten door partijen te goeder trouw worden nageleefd.
De VSN vindt daarom dat Nederland zich actiever zou moeten opstellen in de kwestie.
Recente Nederlandse ontwikkelingen maken kwestie opnieuw actueel
De discussie over de Toescheidingsovereenkomst is in Nederland de afgelopen maanden opnieuw zichtbaar geworden.
In een recente parlementaire documentatie wordt expliciet verwezen naar zaak 13.305 bij de IACHR en naar de verzoeken van de VSN rond de uitvoering van de Toescheidingsovereenkomst.
Ook heeft de VSN in 2026 gemeld dat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken in een brief van 4 juni 2026 de voortdurende geldigheid van de Toescheidingsovereenkomst zou hebben bevestigd en zou hebben erkend dat personen die onder artikel 5, tweede lid, vallen rechten aan deze verdragsbepaling ontlenen.
Deze weergave komt echter van de VSN zelf; voor een volledig oordeel is de oorspronkelijke brief van Buitenlandse Zaken van belang.
Van juridisch geschil naar politieke verantwoordelijkheid
De langdurigheid van de kwestie maakt duidelijk dat de Toescheidingsovereenkomst nog altijd een gevoelig onderdeel vormt van de relatie tussen Suriname en Nederland.
De overeenkomst was bedoeld om bij de onafhankelijkheid duidelijkheid te verschaffen over nationaliteit en de positie van verschillende groepen. Bijna 51 jaar later blijkt dat bepaalde onderdelen nog steeds aanleiding geven tot juridische procedures en maatschappelijke discussie.
Daarmee rijst de vraag of het wenselijk is dat individuele burgers decennialang moeten procederen over de betekenis van bepalingen die juist rechtszekerheid hadden moeten bieden.
Minnelijke oplossing verdient voorkeur
Een gang naar het Inter-Amerikaanse Hof zou de kwestie verder juridiseren en internationaliseren. Voor zowel Suriname als de betrokken burgers kan een zorgvuldig overleg daarom aantrekkelijker zijn dan een langdurige internationale procedure.
Dat vereist echter wel dat alle partijen bereid zijn de juridische uitgangspunten op tafel te leggen en serieus te bespreken.
De VSN heeft eerder gepleit voor gestructureerd overleg tussen de Surinaamse regering, diasporaorganisaties en onafhankelijke internationaalrechtelijke deskundigen. De organisatie ziet een dergelijke dialoog als mogelijkheid om juridische onduidelijkheden weg te nemen en verdere escalatie te voorkomen.
Suriname staat voor een keuze
De kwestie Jankie plaatst de Surinaamse regering opnieuw voor een fundamentele keuze: de kwestie laten voortduren of daadwerkelijk inzetten op een inhoudelijke oplossing.
Daarbij gaat het niet alleen om de vraag wie juridisch gelijk heeft. Het gaat ook om de geloofwaardigheid van Suriname als staat die zijn internationale verplichtingen serieus neemt.
Een transparante reactie op de IACHR, gevolgd door een inhoudelijke dialoog met de betrokkenen, zou in dat opzicht meer kunnen opleveren dan opnieuw jarenlang procederen.
De Toescheidingsovereenkomst is een historisch verdrag, maar de gevolgen ervan zijn nog altijd actueel. Zolang de juridische betekenis van artikel 5 voor betrokken personen niet naar tevredenheid is uitgeklaard, zal de kwestie blijven terugkeren.






