Prem Binda windt er geen doekjes om: de droom om Suriname te positioneren als voedselschuur van de regio, met toegang tot een markt van 800 miljoen tot 1 miljard mensen, is onmogelijk zonder een professioneel packinghouse.
Binda verwijst in gesprek met GFC Nieuws naar zijn bezoeken aan Ceasa in Belém (Brazilië), een van de grootste faciliteiten in het land met een oppervlakte van 30 hectare.
Dit packinghouse werkt met een veilingsysteem op basis van vraag en aanbod en houdt daarnaast strikte controle op voedselveiligheid. Producenten zijn er zelfs wettelijk verplicht hun gewassen via Ceasa te leveren.
“Zo’n systeem is absoluut noodzakelijk om export op niveau te brengen. Zonder dat kun je niet concurreren en geen kwaliteit garanderen,” aldus Binda.
Gemiste kansen in Suriname
Toen China in 2016 een schenking van 10,3 miljoen USD beschikbaar stelde voor de bouw van een packinghouse in Suriname, leek de eerste stap gezet. Er was een terrein van 30 hectare in de Tawajari-polder aangewezen. Maar volgens Binda is het misgegaan:
“Het terrein is verkaveld en verdeeld onder politieke vrienden. Het Chinese geld is verdwenen of anders gebruikt.
Ik heb zelf veel moeite gedaan, maar zie de donkere wolken al hangen,” zegt hij somber.
Dreiging voor de export
Volgens Binda is de huidige export naar Nederland uiterst kwetsbaar. De EU verbood al jaren geleden de import uit Suriname. Dankzij lobbywerk van Nederland wordt nog steeds een uitzondering gemaakt, maar dit kan elk moment stoppen.
“Zonder packinghouse is een verbod onafwendbaar,” waarschuwt hij.
Breder beeld
Binda plaatst de kwestie in een patroon dat hij herkent in de Surinaamse politiek van de afgelopen 15 tot 20 jaar: telkens weer grote verwachtingen van natuurlijke hulpbronnen zoals bauxiet, goud en olie, maar met weinig tastbare voordelen voor de bevolking.
“Wie is er beter van geworden? Zeker 80 tot 90 procent van de bevolking heeft er niets van gemerkt.”