Overheid rekent op private sector bij opzetten havens oliesector

GFC NIEUWSREDACTIE- De Surinaamse regering zal zoveel als mogelijk een passieve rol vervullen in de geprojecteerde olie-industrie op zee. Dit geldt ook voor havenfaciliteiten om de sector te ondersteunen.

Een onderneming is reeds in Commewijne gestart hiermee, en de verwachting is dat nog meer havens richting het westen zullen worden opgezet.

“Niet dat de overheid direct grond heeft geïdentificeerd, maar die potentiele investeerders, particulieren van Suriname of internationaal, hebben wel hun eigen mogelijke locaties geïdentificeerd”, zegt minister Riad Nurmohamed van Openbare Werken (OW) aan United News.

De participatie van de overheid zal zich beperken tot de parastatale bedrijven die, daar waar nodig, faciliterend zullen optreden.

De bal ligt echter bij de private sector om het onderste uit de kan te halen. Indien zij dit laten liggen, zullen de oliemaatschappijen zelf hiervoor zorg dragen, met als gevolg een gemiste kans voor lokale ondernemingen.

“Ik weet van een aantal locaties in Nickerie, Paramaribo en Commewijne. Dat zijn de enige locaties waarvan ik echt weet dat er potentieel is. Een haven kan je het best zetten waar de vaargeul diep is. En een diepe vaargeul heb je niet overal. Er zijn maar een paar plekken. Dus je bent al gauw beperkt om een haven op te zetten”, zegt de minister.

Vanuit NV Havenbeheer zal de overheid het meest faciliterend kunnen zijn richting de sector. Voor de rest zal zij zich zoveel als mogelijk op de achtergrond houden.

“NV Havenbeheer is een topbedrijf. Dus wij weten dat ze een heel goed management hebben, en heel goed instaat zijn dingen te doen. Ze hebben zo vaak awards gewonnen. Dus van die haven kan ik zeggen dat die potentie heeft om bijvoorbeeld ook in die business te gaan. Dat zijn beleidsissues van overheidsinstellingen die zelf beslissen. Ik denk dat andere dingen, waar de overheid wil investeren, mag dat, maar ik ga niet zo zeggen dat het echt van de overheid moet zijn of van de particulieren. Dat zou ik niet durven te zeggen.”