Vertegenwoordigers van verschillende onderwijsbonden hebben vrijdag 14 augustus tijdens een onderhoud met president Jennifer Simons hun zorgen geuit over de ontwikkelingen binnen het beroepsonderwijs.
Onder meer de Federatie van Organisaties van Leerkrachten in Suriname (FOLS), de Bond van Leraren bij het Technisch Onderwijs (BLTO) en BvL/ALS drongen aan op snelle maatregelen om het beroepsonderwijs te versterken.
Een belangrijk verzoek van de bonden is de herintroductie van de B-richting binnen het Lager Beroepsonderwijs (LBO).
Volgens de onderwijsorganisaties is juist deze leerweg van groot belang voor jongeren met een sterke praktische en ambachtelijke aanleg.
B-richting moet terugkeren
BLTO-voorzitter Jennifer Ballo noemt de herinvoering van de LBO B-richting de belangrijkste rode draad van het gesprek met het staatshoofd. De richting werd volgens de bonden in oktober 2025 stopgezet.
Volgens Ballo heeft het verdwijnen van de B-richting gevolgen voor jongeren die vooral praktisch zijn ingesteld. Het B-niveau was volgens haar specifiek gericht op de ambachtsgroep en bood leerlingen de mogelijkheid om na hun opleiding direct toe te treden tot de arbeidsmarkt, terwijl zij daarnaast via onder meer de avondschool hun opleiding konden voortzetten.
“Het B-niveau is onze ambachtsgroep. Met een LBO B-diploma kunnen leerlingen aan de slag, maar ze hebben ook de mogelijkheid om verder te studeren via de avondschool”, aldus Ballo.
De bonden vinden dat deze combinatie van werken en verder leren behouden moet blijven.
Verschillende talenten vragen verschillende leerwegen
Volgens de onderwijsbonden moet worden voorkomen dat verschillende onderwijsrichtingen worden beschouwd als een rangorde van intelligentie.
Ballo benadrukt dat de voormalige A-, B- en C-richtingen verschillende leerbehoeften vertegenwoordigden. Waar het C-niveau volgens haar meer cognitief en algemeen vormend was georiënteerd, richtte het B-niveau zich vooral op praktische en ambachtelijke vaardigheden.
De discussie gaat daarmee volgens de bonden niet over de vraag welke richting “beter” is, maar over de vraag welke leerweg het beste aansluit bij de talenten en mogelijkheden van een leerling.
Praktijkonderwijs als alternatief
Binnen het huidige onderwijsstelsel heeft het praktijkonderwijs een andere plaats gekregen. Volgens de huidige informatie van het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur is het praktijkonderwijs bedoeld om jongeren via praktijkgerichte leertrajecten op te leiden tot zelfredzame en competente burgers.
Het kent onder meer een certificatenroute en een getuigschriftroute, waarbij leerlingen waar mogelijk kunnen doorstromen naar het reguliere onderwijs.
De onderwijsbonden plaatsen echter vraagtekens bij de mate waarin deze nieuwe structuur voldoende aansluit bij de behoeften van jongeren die een volwaardige ambachtelijke beroepsopleiding nodig hebben.
Volgens Ballo bestaat het risico dat jongeren na een kort praktijktraject te snel kiezen voor de arbeidsmarkt en daardoor hun mogelijkheden om later door te leren beperken.
Jongeren moeten langer in het onderwijs blijven
Voor de onderwijsbonden staat daarom centraal dat jongeren zo lang mogelijk binnen het formele onderwijs moeten worden gehouden.
“Wij willen kinderen zo lang mogelijk op school houden. Suriname heeft niet alleen handlangers nodig, maar vooral vakdeskundigen”, stelt Ballo.
Volgens de bonden moet beroepsonderwijs jongeren niet uitsluitend voorbereiden op het vinden van een eerste baan, maar hen ook voldoende basis bieden om zich gedurende hun loopbaan verder te ontwikkelen.
Dat is volgens hen extra belangrijk in een economie waarin steeds meer behoefte bestaat aan technisch geschoolde werknemers en vakmensen.
LBO blijft belangrijke schakel in beroepsonderwijs
Het huidige Surinaamse beroepsonderwijs bestaat uit verschillende niveaus. Het LBO omvat volgens het ministerie leerjaar 11 en 12 en is verdeeld in een dienstverlenende en een technische sector.
Leerlingen kunnen onder meer kiezen voor opleidingen in bouwkunde, elektrotechniek, voertuigentechniek, werktuigbouwkunde, agrarische productie, horeca, handel en administratie en zorg en welzijn.
Na afronding van het LBO kunnen leerlingen volgens de huidige structuur doorstromen naar het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Vanuit leerjaar 12 bestaan daarnaast mogelijkheden om deel te nemen aan toelatingsexamens voor het havo en vwo.
De bonden willen dat de beroepsgerichte leerwegen zodanig worden ingericht dat leerlingen verschillende mogelijkheden behouden om zich verder te ontwikkelen.
Tekort aan vakmensen maakt discussie urgent
De oproep van de onderwijsbonden komt op een moment waarop de overheid zelf werkt aan versterking en modernisering van het beroepsonderwijs.
Het Directoraat Beroepsonderwijs heeft onder meer ingezet op praktijkgerichte opleidingen, verbetering van praktijklokalen en aansluiting van het onderwijs op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Eerdere programma’s waren onder meer gericht op de modernisering van het LBO en het trainen van leerkrachten in het gebruik van moderne machines.
Ook de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt staat nadrukkelijk op de beleidsagenda. Bij eerdere gesprekken over curriculumontwikkeling kwamen onder meer technologische ontwikkelingen, innovatie, arbeidsmobiliteit, de veranderende organisatie van werk en de afstemming tussen vraag en aanbod van vaardigheden aan de orde.
Tegen die achtergrond stellen de bonden dat een sterke beroepsopleiding noodzakelijk is om jongeren daadwerkelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt van de toekomst.
Ook vakdocenten behouden
Naast de onderwijsstructuur vragen de bonden aandacht voor het behoud van vakdocenten. Zonder voldoende gekwalificeerde leerkrachten kunnen technische en ambachtelijke opleidingen volgens hen niet op het gewenste niveau worden aangeboden.
De problematiek is niet uitsluitend theoretisch. Ook in de districten bestaan uitdagingen rond praktijklokalen en vakleerkrachten. Zo kampt het LBO in Brokopondo volgens recente berichtgeving met beperkingen rond praktijklokalen en een tekort aan vakleerkrachten, waardoor leerlingen voor bepaalde praktijklessen naar andere scholen moeten reizen.
De beschikbaarheid van goed opgeleide vakdocenten en adequate praktijkfaciliteiten is daarom een essentieel onderdeel van de versterking van het beroepsonderwijs.
President wil overleg met minister van Onderwijs
Tijdens het gesprek met president Simons is volgens Ballo afgesproken dat op korte termijn overleg zal plaatsvinden met de minister van Onderwijs.
De president wil naar verwachting zo snel mogelijk een gesprek tussen de onderwijsbonden en de verantwoordelijke minister tot stand brengen. De bonden verwelkomen dit vooruitzicht en hopen dat het overleg leidt tot concrete oplossingen.
Volgens Ballo zijn de bonden bereid om niet alleen de B-richting opnieuw in te voeren, maar ook het voormalige vierjarige LBO-systeem opnieuw te bekijken.
“Wij zijn ready voor het B-niveau, maar ook om terug te gaan naar het oude LBO-systeem. Wij geloven dat het weer goed kan werken”, stelt de BLTO-voorzitter.
Onderwijsbeleid moet ruimte bieden voor talent
De discussie over de LBO B-richting raakt uiteindelijk aan een bredere vraag over de inrichting van het Surinaamse onderwijs. Niet iedere leerling leert op dezelfde manier en niet iedere jongere heeft dezelfde talenten of ambities.
Een onderwijsstelsel dat ruimte biedt aan zowel academische als praktische ontwikkeling kan jongeren verschillende routes naar werk, vervolgonderwijs en ondernemerschap bieden.
Voor Suriname is dat van belang in het licht van de behoefte aan technisch en praktisch geschoold personeel. Het beroepsonderwijs moet jongeren niet alleen een eerste kans op de arbeidsmarkt bieden, maar hen ook in staat stellen om zich gedurende hun loopbaan verder te scholen.
De onderwijsbonden hopen daarom dat het overleg met de regering niet alleen leidt tot een besluit over de B-richting, maar tot een bredere herwaardering van het beroepsonderwijs en de positie van vakmensen binnen de Surinaamse samenleving.
Bron: gov.sr






