Terwijl president Jennifer Simons woensdag 30 september tijdens haar tweede Jaarrede uitgebreid sprak over de hervorming en versterking van het Surinaamse onderwijs, staat de onderwijspraktijk voor een onmiddellijke uitdaging. Het nieuwe schooljaar 2026-2027 dreigt op donderdag 1 oktober niet volgens plan van start te gaan.
De Gezamenlijke Onderwijs Vakbonden (G.O.V.) hebben ouders en verzorgers namelijk opgeroepen hun kinderen op 1 oktober thuis te houden. Volgens de bonden is er nog geen duidelijkheid over een optimale bezetting van leerkrachten op de scholen.
Daarmee ontstaat een opvallend contrast. In de Jaarrede wordt gesproken over structurele hervormingen, betere aansluiting op de arbeidsmarkt, moderne opleidingen en kansen voor jongeren.
Tegelijkertijd is er op de eerste schooldag nog onzekerheid over een van de meest basale voorwaarden voor goed onderwijs: voldoende leerkrachten voor de klas.
President spreekt over een toekomstgericht onderwijs
President Simons benadrukte in haar Jaarrede dat onderwijs cruciaal is voor de ontwikkeling van Suriname. De regering wil werken aan een integrale aanpak, waarbij onder meer schoolgebouwen, lokalen, schoolmeubilair, onderwijsplanning, overgangsnormen en de kwaliteit van het onderwijs worden aangepakt.
Voor het schooljaar 2027-2028 liggen volgens de president nog grote uitdagingen. Het gaat onder meer om het aantal kinderen dat instroomt, de beschikbare lokalen en de fysieke staat van scholen.
De regering heeft inmiddels een inventarisatie gemaakt van scholen die reparaties nodig hebben. Ook wordt gewerkt aan de bouw van meer dan vijftig nieuwe leslokalen.
Daarnaast beschikt Suriname over een grote schenking van schoolmateriaal uit Nederland. Het gaat om 21 containers met onder meer tafels, stoelen, kasten, laptops en digiborden. Een deel daarvan is inmiddels verdeeld over scholen.
Op papier zijn dat belangrijke stappen. Maar onderwijs is meer dan gebouwen, meubels en beleidsplannen.
Zonder leerkracht geen onderwijs
De grootste infrastructuur kan niet functioneren zonder mensen die voor de klas staan.
Juist daar ligt momenteel een belangrijk probleem. De onderwijsbonden hebben aangegeven dat eerst moet worden vastgesteld hoe de personele bezetting er per school daadwerkelijk uitziet.
Alle leerkrachten moeten zich op 1 oktober wel melden. Samen met de schooldirecties moet de feitelijke situatie worden geïnventariseerd.
Pas daarna moet duidelijk worden of leerlingen verantwoord kunnen worden opgevangen. De bonden stellen dat hun oproep aan ouders vanuit veiligheidsoverwegingen is gedaan.
Het gaat dus niet om een theoretisch probleem. Het gaat om de vraag of scholen op de eerste dag van het nieuwe schooljaar daadwerkelijk voldoende personeel hebben om leerlingen op een verantwoorde manier te ontvangen.
Waarschuwing was al eerder gegeven
De huidige situatie komt niet volledig onverwacht.
FOLS-voorzitter en G.O.V.-coördinator Bernice Barron waarschuwde eerder dat bij het uitblijven van oplossingen een tekort aan leerkrachten kon ontstaan bij de start van het nieuwe schooljaar. Daarbij werd ook gewezen op de positie en arbeidsvoorwaarden van leerkrachten.
De gezamenlijke onderwijsbonden hadden bovendien vóór 1 oktober duidelijkheid gevraagd over een nieuwe loonstructuur. Volgens Barron is een verbetering van de arbeidsvoorwaarden nodig om personeel voor het onderwijs te behouden.
Dat maakt de huidige situatie des te relevanter. De regering wist dat de personele bezetting en de positie van leerkrachten aandachtspunten waren. Toch begint het nieuwe schooljaar nu met een oproep aan ouders om hun kinderen thuis te houden.
Vier maatregelen, maar één fundamentele vraag
President Simons presenteerde voor het onderwijs vier belangrijke beleidsrichtingen.
De regering wil een nationale onderwijskolom ontwikkelen, zodat leerlingen betere doorstroommogelijkheden krijgen van het basisonderwijs naar het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Geen enkele leerling zou binnen het systeem op een doodlopende weg mogen terechtkomen.
Daarnaast wil de regering investeren in onderwijsgevenden. Daarbij worden onder meer de loonpositie, secundaire voorzieningen, loopbaanperspectief, werkdruk en de modernisering van de leerkrachtenopleidingen genoemd.
Ook moet de Anton de Kom Universiteit van Suriname verder worden ontwikkeld als nationaal kennis- en onderzoekscentrum. Samenwerking met het bedrijfsleven en buitenlandse universiteiten moet worden versterkt.
Verder wil de regering het systeem van korte en praktijkgerichte beroepsopleidingen uitbreiden, onder meer op het gebied van elektrotechniek, installatietechniek, lassen, koeltechniek en autotechniek.
Het zijn beleidsvoornemens die moeten bijdragen aan een onderwijsstelsel dat jongeren voorbereidt op een veranderende arbeidsmarkt.
Maar daaronder ligt een fundamentelere vraag: hoe wordt ervoor gezorgd dat het bestaande onderwijs vandaag daadwerkelijk functioneert?
Van toekomstberoepen naar een lege klas
President Simons stelde dat jongeren moeten worden voorbereid op beroepen die vandaag nog niet bestaan. Kennis moet volgens haar leiden tot productie, innovatie, ondernemerschap en werkgelegenheid.
Dat toekomstbeeld is ambitieus. Maar voor een leerling die morgen naar school moet, begint onderwijs niet met een toekomstig beroep.
Het begint met een school die open is.
Met een lokaal dat bruikbaar is.
Met een tafel en stoel.
Met lesmateriaal.
En vooral met een bevoegde leerkracht voor de klas.
Wanneer juist die basisvoorwaarden niet gegarandeerd zijn, ontstaat een pijnlijke kloof tussen beleidsambitie en dagelijkse werkelijkheid.
Onderwijs hervormen begint bij de mensen die het onderwijs dragen
De regering zegt terecht dat onderwijsgevenden een belangrijke plaats innemen binnen de hervormingen. Maar woorden over waardering moeten uiteindelijk zichtbaar worden in beleid.
Een onderwijsstelsel kan alleen duurzaam worden hervormd als het aantrekkelijk genoeg is om leerkrachten te behouden en nieuwe mensen voor het vak aan te trekken.
De discussie over salaris is daarbij slechts één onderdeel. Ook werkdruk, loopbaanmogelijkheden, professionele ontwikkeling, ondersteuning op school en de algemene werkomstandigheden spelen een rol.
Als leerkrachten vertrekken of als vacatures niet tijdig worden ingevuld, wordt iedere onderwijsvernieuwing kwetsbaar.
De eerste test komt vandaag
De Jaarrede kijkt vooruit naar 2027 en verder. De onderwijsbonden kijken naar 1 oktober 2026.
Juist daar ligt de eerste concrete test voor het onderwijsbeleid.
Niet in een beleidsdocument. Niet in een nieuw kwalificatieniveau. Niet in een toekomstige opleiding.
Maar vandaag, wanneer ouders hun kinderen naar school willen brengen.
Dan moet blijken of de scholen daadwerkelijk klaar zijn om hen verantwoord op te vangen.
De oproep van de G.O.V. maakt duidelijk dat daarover op dit moment nog onvoldoende zekerheid bestaat.
Ambitie is noodzakelijk, uitvoering is beslissend
Suriname heeft onderwijs nodig dat jongeren voorbereidt op de toekomst. Daarover bestaat weinig discussie.
Maar onderwijsbeleid wordt uiteindelijk niet beoordeeld op de omvang van de plannen. Het wordt zichtbaar in de uitvoering.
Een regering kan spreken over nieuwe lokalen, beroepsopleidingen, kenniscentra, ondernemerschap en banen. Maar als op de eerste schooldag nog moet worden vastgesteld welke scholen voldoende leerkrachten hebben, blijft er een duidelijke uitvoeringskloof bestaan.
De uitdaging voor de regering is daarom niet alleen om een nieuwe onderwijsstructuur te ontwerpen. Zij moet er ook voor zorgen dat de bestaande structuur daadwerkelijk functioneert.
Want een kind dat op 1 oktober niet naar school kan omdat onvoldoende duidelijk is wie voor de klas staat, ervaart geen toekomstige onderwijshervorming.
Dat kind ervaart vandaag een onderbreking van het onderwijs.
En precies daar ligt de kritische vraag die na de Jaarrede overblijft: hoe brengen we de grote onderwijsambities zo snel mogelijk naar de schoolbanken?






