De boodschap van minister Miguella Huur van Regionale Ontwikkeling tijdens de herdenking van de Dag der Marrons was duidelijk: in 2027 moeten belangrijke stappen zijn afgerond om de collectieve grondenrechten van Inheemse volken en tribale gemeenschappen juridisch te waarborgen.
De Wet Collectieve Rechten, de erkenning van traditionele gezagsstructuren, de wettelijke verankering van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming en de uitvoering van het Kaliña- en Lokono-vonnis behoren tot de aangekondigde prioriteiten.
Het klinkt als een noodzakelijke koerswijziging. Maar achter deze aankondiging schuilt een ongemakkelijke vraag: waarom moeten gemeenschappen die al generaties lang op hun traditionele leefgebieden wonen, nog steeds wachten op rechtszekerheid?
Wanneer een minister zelf erkent dat er te lang is gesproken zonder voldoende resultaten, is dat meer dan een oproep tot versnelling.
Het is ook een erkenning dat het overheidsbeleid tot dusver niet heeft opgeleverd wat de betrokken gemeenschappen nodig hebben.
De uitdaging is nu niet om opnieuw uit te leggen waarom grondenrechten belangrijk zijn, maar om aan te tonen dat de overheid bereid en in staat is haar beloften om te zetten in afdwingbare rechten.
Een historische strijd die nog steeds op erkenning wacht
De Dag der Marrons herinnert Suriname aan de strijd van voorouders die hun vrijheid bevochten en gemeenschappen opbouwden buiten het gezag van de koloniale overheerser. Die geschiedenis verdient meer dan jaarlijkse toespraken, kransleggingen en plechtige verklaringen.
De herdenking roept ook een actuele vraag op: wat betekent vrijheid wanneer de rechten op traditionele leefgebieden nog onvoldoende juridisch zijn gewaarborgd?
Voor Inheemse volken en tribale gemeenschappen gaat het om meer dan grond als bezit. Het gaat om hun leefomgeving, cultuur, bestaansmiddelen, gemeenschapsstructuren en de mogelijkheid om zelf richting te geven aan hun toekomst.
Wanneer de juridische positie van hun leefgebieden onzeker blijft, kan dat ook hun positie verzwakken bij besluiten over economische activiteiten, natuurlijke hulpbronnen en ruimtelijke ontwikkeling.
Daarom is rechtszekerheid geen gunst die de overheid op een geschikt moment kan verlenen. Het is een wezenlijk onderdeel van de bescherming van de rechten van deze gemeenschappen.
De geschiedenis verplicht de huidige generatie niet alleen om het verleden te eren, maar ook om te voorkomen dat dezelfde groepen telkens opnieuw moeten strijden voor erkenning.
2027 mag geen nieuwe datum op een lange lijst van beloften worden
Minister Huur wil dat in 2027 belangrijke stappen zijn afgerond. Dat voornemen verdient aandacht, maar een aangekondigde deadline is nog geen resultaat.
Suriname kent al jaren overleg, studies, commissies en consultaties over de rechten van Inheemse volken en tribale gemeenschappen.
De minister heeft zelf erkend dat deze trajecten onvoldoende rechtszekerheid hebben opgeleverd. Daarmee ligt de lat voor de regering hoger dan het aankondigen van nieuwe beleidsvoornemens.
Welke onderdelen van de Wet Collectieve Rechten moeten in 2027 zijn afgerond? Wanneer worden voorstellen aan De Nationale Assemblée voorgelegd?
Welke procedures worden vastgesteld voor de erkenning van traditionele gezagsdragers? En welke concrete verplichtingen zijn er verbonden aan de uitvoering van het Kaliña- en Lokono-vonnis?
Zonder een openbaar tijdpad, duidelijke verantwoordelijkheden en periodieke rapportage blijft het voor burgers moeilijk om vast te stellen of de aangekondigde doelstellingen daadwerkelijk worden gerealiseerd.
De regering moet daarom inzichtelijk maken wat zij onder concrete resultaten verstaat. Gaat het om wetsvoorstellen, aangenomen wetten, uitvoeringsbesluiten of aantoonbare verbeteringen in de rechtspositie van de gemeenschappen? Dat onderscheid is essentieel.
Een wetsvoorstel dat wordt ingediend, is immers niet hetzelfde als een wet die is aangenomen. En een aangenomen wet betekent nog niet automatisch dat de daarin erkende rechten in de praktijk worden gerespecteerd.
2027 moet daarom niet slechts een politieke deadline zijn, maar een toetsbaar moment waarop de samenleving kan beoordelen wat daadwerkelijk is veranderd.
Het Kaliña- en Lokono-vonnis vraagt om uitvoering, niet om herhaling
De uitvoering van het vonnis van het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens uit 2015 over de rechten van de Kaliña- en Lokono-volken behoort volgens Huur tot de prioriteiten.
Dat dit onderwerp opnieuw nadrukkelijk op de agenda staat, maakt een kritische vraag onvermijdelijk: waarom heeft de uitvoering zoveel tijd nodig gehad en welke onderdelen moeten nog worden gerealiseerd?
Internationale rechtspraak verliest haar betekenis wanneer uitspraken wel worden erkend, maar de uitvoering achterblijft.
Voor de betrokken gemeenschappen gaat het niet om een abstract juridisch debat. Het gaat om de daadwerkelijke bescherming van hun collectieve rechten en traditionele leefgebieden.
De regering moet daarom duidelijk aangeven welke onderdelen van het vonnis zijn uitgevoerd, welke nog openstaan en welke stappen nodig zijn om de resterende verplichtingen na te komen.
Ook moet inzichtelijk worden gemaakt welke instanties verantwoordelijk zijn en welke obstakels de uitvoering vertragen.
Als juridische, bestuurlijke of financiële problemen de voortgang belemmeren, behoort de regering die openlijk te benoemen en aan te geven hoe zij deze wil oplossen.
Het is niet voldoende om de uitvoering van een vonnis telkens opnieuw als prioriteit te noemen. De geloofwaardigheid van de rechtsstaat wordt juist zichtbaar in de bereidheid om rechterlijke uitspraken daadwerkelijk na te leven.
Vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming mag geen formaliteit worden
Een ander aangekondigd traject betreft de wettelijke verankering van Free, Prior and Informed Consent (FPIC): vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming.
Dit beginsel is van groot belang bij besluiten die gevolgen kunnen hebben voor de rechten en belangen van Inheemse volken en tribale gemeenschappen.
Het vraagt om meer dan een informatiebijeenkomst of een formele consultatie nadat belangrijke keuzes al zijn gemaakt.
Vrije toestemming veronderstelt dat gemeenschappen zonder ongeoorloofde druk hun standpunt kunnen bepalen. Voorafgaande betrokkenheid betekent dat zij tijdig worden geraadpleegd, voordat besluiten worden genomen.
Geïnformeerde betrokkenheid vereist bovendien dat zij beschikken over begrijpelijke, relevante en voldoende informatie om de gevolgen van voorstellen te kunnen beoordelen.
De wettelijke uitwerking moet daarom duidelijk maken wanneer en hoe het beginsel wordt toegepast, welke informatie moet worden verstrekt en hoe de betrokkenheid van gemeenschappen wordt vastgelegd.
Daarbij moet de regering ook helderheid scheppen over de juridische gevolgen van het proces en de verhouding tot de toepasselijke nationale en internationale rechtsregels.
Anders dreigt FPIC een begrip te worden dat wel in beleidsdocumenten voorkomt, maar in de praktijk onvoldoende bescherming biedt.
Een wezenlijke vraag is dan ook of gemeenschappen daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op besluiten die hun leefgebieden raken, of dat hun betrokkenheid voornamelijk dient om reeds gekozen beleidsrichtingen achteraf te legitimeren.
Dat verschil bepaalt of participatie een recht is of slechts een procedure.
Traditionele gezagsstructuren verdienen erkenning én zorgvuldigheid
President Jennifer Simons heeft aangegeven dat de regering samen met traditionele gezagsdragers werkt aan het vastleggen van bestuursstructuren en demarcaties in het binnenland. Volgens de planning moet het grootste deel van dit traject in 2027 zijn afgerond.
Duidelijkheid over traditionele gezagsstructuren kan de samenwerking tussen de overheid en gemeenschappen verbeteren.
Maar het vastleggen van die structuren vraagt om zorgvuldigheid, omdat erkenning van gezag gevolgen kan hebben voor vertegenwoordiging, besluitvorming en de verdeling van verantwoordelijkheden.
De overheid moet voorkomen dat bestuurlijke procedures bestaande verhoudingen onnodig onder druk zetten of bepaalde groepen onvoldoende vertegenwoordigen.
Waar binnen gemeenschappen verschillen van inzicht bestaan, moet ruimte zijn voor dialoog en voor een zorgvuldige beoordeling van de relevante tradities en procedures.
Daarbij is het belangrijk dat de overheid niet uitsluitend bepaalt wie zij als gesprekspartner erkent, maar ook transparant maakt op basis van welke criteria dat gebeurt.
Rechtszekerheid vraagt niet alleen om duidelijkheid tegenover de Staat. Zij vraagt ook om legitimiteit binnen de gemeenschappen zelf.
Verdeeldheid mag geen excuus worden voor stilstand
President Simons riep de gemeenschappen in het binnenland op om onderlinge verdeeldheid te overwinnen en gezamenlijk aan hun ontwikkeling te werken.
Zij wees erop dat verschillende groepen binnen hetzelfde dorp soms uiteenlopende verzoeken aan de regering voorleggen.
Dat kan de besluitvorming bemoeilijken. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de nadruk op eenheid de indruk wekt dat de verantwoordelijkheid voor de trage vooruitgang vooral bij de gemeenschappen ligt.
Verschillen van mening zijn niet automatisch een teken van onwil of gebrek aan gemeenschapszin. Ze kunnen voortkomen uit verschillende ontwikkelingsbehoeften, historische ervaringen, belangen of visies op het beheer van leefgebieden.
Een democratische benadering vraagt daarom dat meningsverschillen zorgvuldig worden behandeld en dat ook minderheidsstandpunten gehoord kunnen worden.
De overheid heeft bovendien een eigen verantwoordelijkheid om duidelijke procedures te bieden voor overleg, vertegenwoordiging en besluitvorming.
Als gemeenschappen uiteenlopende wensen naar voren brengen, is dat niet alleen een uitdaging voor hen, maar ook een reden om te investeren in transparante en inclusieve processen.
Eenheid kan samenwerking bevorderen, maar mag geen voorwaarde worden waaraan gemeenschappen eerst moeten voldoen voordat hun rechten serieus worden genomen.
De collectieve grondenrechten van Inheemse volken en tribale gemeenschappen mogen niet afhankelijk worden gemaakt van de mate waarin alle betrokkenen het met elkaar eens zijn over iedere ontwikkelingsvraag.
Economische ontwikkeling mag rechten niet naar de achtergrond drukken
De discussie over grondenrechten raakt ook aan de economische toekomst van Suriname. Besluiten over grondgebruik en natuurlijke hulpbronnen kunnen grote gevolgen hebben voor gemeenschappen die afhankelijk zijn van hun traditionele leefgebieden.
Daarom moeten rechtszekerheid, participatie en de bescherming van collectieve rechten worden meegenomen in de besluitvorming over ontwikkeling. Dat is niet alleen van belang voor de gemeenschappen zelf, maar ook voor de rechtszekerheid van de overheid, investeerders en andere betrokken partijen.
Onduidelijkheid over rechten en verantwoordelijkheden kan conflicten veroorzaken, projecten vertragen en het vertrouwen in overheidsbesluiten ondermijnen.
Een duidelijk wettelijk kader kan juist helpen om vast te leggen wie welke rechten heeft, hoe besluiten worden genomen en welke procedures gelden wanneer belangen botsen.
De bescherming van collectieve rechten hoeft economische ontwikkeling niet uit te sluiten. Zij vraagt er wel om dat ontwikkeling niet uitsluitend wordt beoordeeld op investeringen, inkomsten of infrastructuur, maar ook op de vraag of de rechten en belangen van de betrokken gemeenschappen worden gerespecteerd.
Een land kan moeilijk spreken van duurzame ontwikkeling wanneer de mensen die al generaties lang in bepaalde gebieden wonen onvoldoende zekerheid hebben over hun eigen positie.
De volgende generatie zal niet om het aantal vergaderingen vragen
Huur stelde tijdens de herdenking de vraag wat de huidige generatie nalaat aan haar kinderen. Zij benadrukte dat toekomstige generaties niet zullen vragen hoeveel vergaderingen zijn gehouden, maar wat er daadwerkelijk is besloten en gerealiseerd.
Die uitspraak vat de uitdaging treffend samen. Het probleem is niet dat Suriname onvoldoende heeft gesproken over grondenrechten. Het probleem is dat de betrokken gemeenschappen nog steeds wachten op de volledige omzetting van beleidsvoornemens en juridische verplichtingen in tastbare bescherming.
De regering heeft nu de gelegenheid om de aangekondigde doelstellingen te vertalen naar een transparant uitvoeringsprogramma.
Daarin moeten concrete termijnen, verantwoordelijke instanties, wettelijke mijlpalen en controleerbare resultaten worden opgenomen.
De voortgang moet regelmatig openbaar worden gemaakt, zodat ook de gemeenschappen zelf kunnen beoordelen of de beloften worden nagekomen.
De Nationale Assemblée heeft daarbij een belangrijke controlerende rol. Niet alleen bij de behandeling van wetgeving, maar ook bij het volgen van de uitvoering en het aanspreken van de regering wanneer afspraken niet worden nagekomen.
De Dag der Marrons mag niet uitsluitend een moment van historische herinnering zijn. Zij moet ook aanleiding bieden om de huidige stand van zaken eerlijk onder ogen te zien.
De werkelijke betekenis van de oproep ‘van consultatie naar actie’ zal niet worden bepaald door de kracht van de woorden tijdens een herdenking, maar door de rechten die in 2027 daadwerkelijk zijn gewaarborgd.
De gemeenschappen hebben geen behoefte aan nog een belofte voor later. Zij hebben recht op duidelijkheid, rechtszekerheid en uitvoering.
Ben M.D.
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







