Bewoners van Houttuin en omliggende woongebieden hebben via een petitie hun ernstige bezorgdheid geuit over de geplande vestiging van een opslagfaciliteit voor radioactieve bronnen en een werkplaats voor de behandeling van gecontamineerde materialen op het terrein van Kuldipsingh te Houttuin.
Volgens de petitionarissen roept de aard van de voorgenomen activiteiten, de mogelijke risico’s voor mens en milieu, evenals de gevolgde procedure rond het milieukundig onderzoek, fundamentele vragen op over de rechtmatigheid, zorgvuldigheid en veiligheid van het besluitvormingsproces.
Overhandiging aan De Nationale Assemblée
De petitie werd op 18 juni officieel in ontvangst genomen door de eerste vervanger van de vicevoorzitter van De Nationale Assemblée (DNA), Ivanildo Plein, in aanwezigheid van enkele DNA-leden. Tijdens de indiening werd de lopende openbare vergadering kort geschorst om de petitionarissen toe te spreken.
De bewoners verzoeken de bevoegde autoriteiten om de voorgenomen activiteiten onmiddellijk op te schorten en het project opnieuw te beoordelen.
Zij vragen onder meer om herclassificatie van het project, een volledige Milieu Effecten Rapportage (MER) uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen en een volwaardige betrokkenheid van de gemeenschap in het verdere traject.
Betwisting van milieucategorie en risicobeoordeling
Schmeitz en Stüger stelden dat het project volgens de Nationale Milieu Autoriteit (NMA) onterecht zou zijn ingedeeld als een Categorie B-traject 2-project, waarvoor slechts een beperkte Milieu Effecten Analyse (MEA) vereist is.
Op basis van die classificatie zou vervolgens zijn besloten dat kan worden volstaan met een Standalone Milieu Management en Monitoring Plan (MMMP), met nog beperktere vereisten.
Volgens de petitionarissen is die benadering onvoldoende, omdat de opslag en behandeling van radioactieve bronnen onder radiologische contaminanten vallen zoals omschreven in de Milieu Raamwet en internationaal als hoog-risicoactiviteiten worden beschouwd. Zij stellen dat het project daardoor ten onrechte buiten de strengere MER-procedure is gehouden.
Bezwaren tegen locatie en milieuonderzoek
De bewoners wijzen erop dat internationale nucleaire veiligheidsrichtlijnen stellen dat dergelijke installaties bij voorkeur moeten worden gevestigd in afgelegen, dunbevolkte en geologisch stabiele gebieden, en bovendien geïsoleerd van waterbronnen. Volgens hen voldoet de locatie in Houttuin niet aan deze voorwaarden.
Daarnaast stellen zij dat het milieudossier tekortschiet doordat een alternatievenstudie ontbreekt. Ook zou onvoldoende zijn onderzocht of andere locaties, zoals industriële zones of meer afgelegen gebieden, geschikter zouden zijn.
Verder ontbreekt volgens hen een volledige risicoanalyse, met name met betrekking tot bodem- en grondwaterimpact en mogelijke gevolgen voor omwonenden.
Ook het participatieproces wordt door de bewoners bekritiseerd. Zij stellen dat er sprake was van onvoldoende transparantie, beperkte informatieverstrekking en consultaties waarin de gemeenschap niet daadwerkelijk kon participeren.
Twijfels over deskundigheid van het onderzoeksteam
De petitionarissen geven verder aan dat pas na doorvragen duidelijk werd dat radioactieve bronnen niet enkel in een hermetisch afgesloten verpakking worden opgeslagen, maar dat deze verpakking in de werkplaats wordt geopend voor afstelling van de bronnen. Dit zou volgens hen de benaming “opslagfaciliteit” ter discussie stellen.
In de petitie wordt bovendien gesteld dat het milieurapport is opgesteld door een lokaal team verbonden aan TDS Consulting, bestaande uit drie experts zonder gespecialiseerde academische achtergrond in nucleaire techniek of gezondheidsfysica.
Volgens de bewoners ontbreekt daarmee de noodzakelijke expertise om stralingsrisico’s adequaat te beoordelen, waardoor het rapport niet zou voldoen aan wettelijke vereisten en niet als basis kan dienen voor een verantwoord besluit.
Reactie vanuit het parlement
Ivanildo Plein gaf aan dat de kwestie de aandacht heeft van het parlement en reeds binnen De Nationale Assemblée is besproken.
Hij stelde dat er zal worden gewerkt aan een gezamenlijke aanpak waarbij relevante instituten worden betrokken in het verdere traject.
Ook benadrukte hij dat de zaak onder de aandacht van de voorzitter van het parlement zal worden gebracht, met het oog op verdere opvolging.







