De gebeurtenissen rond de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) roepen een ongemakkelijke vraag op over de politieke prioriteiten van de Algemene Bevrijdings- en Ontwikkelingspartij (ABOP): wanneer komt de partij werkelijk in beweging?
Is haar strijd gericht op structurele oplossingen voor de problemen van de samenleving, of wordt de politieke strijd vooral fel wanneer de positie van een eigen voorgedragen functionaris in gevaar komt?
De woede waarmee ABOP-parlementariërs zich hebben uitgesproken over de kwestie rond TAS-directeur Wendy Jap-A-Joe, en het besluit van de fractie om de vergadering van De Nationale Assemblée te verlaten, roepen vragen op die verder reiken dan dit ene conflict.
Want als een politieke partij zo strijdvaardig kan optreden wanneer een directeur dreigt te vertrekken, waarom zien we diezelfde vastberadenheid dan niet altijd wanneer grote groepen burgers met ernstige problemen worden geconfronteerd?
Dat is geen onbelangrijke vraag. Het gaat om de geloofwaardigheid van een partij die zegt op te komen voor haar achterban én voor de bevolking van Suriname.
Waar was deze strijdlust bij de grondenrechten?
De kwestie van de grondenrechten van inheemse volken en tribale gemeenschappen is al jarenlang een van de grote vraagstukken van Suriname.
Het gaat om erkenning, rechtszekerheid, zeggenschap over traditionele leefgebieden en bescherming tegen besluiten die de bestaanszekerheid van gemeenschappen kunnen raken.
Tijdens de regering van Chan Santokhi maakte de ABOP deel uit van de coalitie. Dat roept een logische politieke vraag op: waarom leidde het uitblijven van een structurele oplossing voor de grondenrechten niet tot dezelfde zichtbare confrontatie met de coalitiepartner?
Waarom werd de deelname aan de regering niet op dezelfde manier ter discussie gesteld als de positie van een directeur die door de partij was voorgedragen?
Een politieke partij hoeft niet bij elk meningsverschil uit een coalitie te stappen. Regeringsdeelname vraagt immers om onderhandelingen, compromissen en afwegingen. Maar juist daarom moet een partij helder uitleggen welke kwesties voor haar ononderhandelbaar zijn en wanneer een grens is bereikt.
Als grondenrechten werkelijk een prioriteit zijn, mag de samenleving verwachten dat die prioriteit zichtbaar blijft, ook wanneer dat politiek ongemakkelijk wordt. De rechten van gemeenschappen mogen niet afhankelijk lijken van de vraag of hun belangen op dat moment voldoende politieke druk opleveren.
En de slachtoffers van de overstromingen in het binnenland?
Ook de gevolgen van overstromingen voor gemeenschappen in het binnenland verdienen aandacht. Wanneer gezinnen hun bezittingen verliezen, woningen beschadigd raken en de toegang tot voedsel, onderwijs en gezondheidszorg onder druk komt te staan, is er behoefte aan snelle hulp, transparante schadeafhandeling en een duidelijk beleid voor herstel.
Daarom is het terecht om te vragen welke rol de ABOP in zulke situaties heeft gespeeld. Welke druk heeft de partij uitgeoefend op de regering om getroffen gezinnen te helpen? Welke concrete resultaten zijn bereikt op het gebied van compensatie en herstel?
En heeft de partij haar invloed binnen de coalitie gebruikt om ervoor te zorgen dat de getroffen gemeenschappen niet aan hun lot werden overgelaten?
Daarbij moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de vraag of mensen recht hebben op compensatie en de vraag welke concrete aanspraak juridisch of beleidsmatig bestaat.
Niet iedere schade leidt automatisch tot hetzelfde recht op vergoeding. Maar dat ontslaat politieke vertegenwoordigers niet van hun verantwoordelijkheid om zich in te zetten voor eerlijke schadebeoordeling, tijdige hulp en duidelijke communicatie.
Wie zich presenteert als vertegenwoordiger van gemeenschappen in het binnenland, moet juist in tijden van nood laten zien wat die vertegenwoordiging inhoudt. Niet alleen met woorden, maar ook met controleerbare resultaten.
Eén directeur en een hele fractie in beweging
Nu de positie van Jap-A-Joe ter discussie staat, is de politieke felheid onmiskenbaar. ABOP-parlementariër Stanley Betterson stelde de gang van zaken bij TAS aan de orde en uitte scherpe kritiek op de brief van minister Raymond Landveld. De discussie met NDP-fractieleider Rabin Parmessar liep hoog op en de ABOP-fractie keerde na een schorsing niet terug naar de vergaderzaal.
De ABOP mag vragen stellen over de rechtspositie van Jap-A-Joe. Als er twijfel bestaat over de bevoegdheden van de Raad van Commissarissen, moet die twijfel worden onderzocht.
Als de directeur ten onrechte uit haar functie dreigt te worden gezet, moet zij toegang hebben tot rechtsbescherming. En als er tijdens de confrontatie bij TAS onrechtmatig is gehandeld, moeten de feiten worden vastgesteld.
Maar de politieke discussie houdt niet op bij de vraag of Jap-A-Joe gelijk heeft. De samenleving mag ook vragen waarom deze kwestie zoveel politieke energie losmaakt en of dezelfde energie wordt ingezet voor problemen die veel meer mensen raken.
Een directeur heeft rechten die moeten worden gerespecteerd. Maar ook burgers die hun huis, bestaanszekerheid of toegang tot hun traditionele leefgebieden bedreigd zien, hebben recht op vertegenwoordiging. Het ene belang hoeft het andere niet uit te sluiten.
Het probleem ontstaat wanneer de politieke inzet zichtbaar veel groter lijkt bij een individuele benoemingskwestie dan bij langdurige maatschappelijke vraagstukken.
Waarom kan een conflict over één functie leiden tot een frontale politieke confrontatie, terwijl structurele problemen van gemeenschappen vaak jarenlang op een oplossing wachten?
Dat is de vraag waarop de ABOP een overtuigend antwoord moet geven.
Is het principe belangrijker dan de partijband?
De ABOP kan aanvoeren dat de kwestie bij TAS draait om rechtszekerheid, de bevoegdheden van de Raad van Commissarissen en de manier waarop met een directeur wordt omgegaan. Dat zijn legitieme onderwerpen. De partij hoeft niet te worden verweten dat zij een functionaris verdedigt wanneer zij meent dat onrecht dreigt.
Maar het principe van rechtszekerheid moet dan wel consequent worden toegepast. Een politieke partij kan niet alleen voor rechtsbescherming pleiten wanneer een eigen voorgedragen functionaris wordt geraakt. Hetzelfde beginsel geldt voor werknemers, burgers, gemeenschappen en andere publieke functionarissen, ongeacht hun politieke banden.
De samenleving mag daarom vragen welke algemene norm de ABOP in deze kwestie verdedigt. Is het uitgangspunt dat iedere directeur recht heeft op een eerlijke procedure?
Dat de wet leidend moet zijn bij benoemingen en ontslag? Dat politieke beïnvloeding van publieke instellingen moet worden beperkt? Als dat de uitgangspunten zijn, moet de partij ze ook verdedigen wanneer de betrokken persoon geen politieke band met haar heeft.
Zonder die consequentie dreigt een principiële discussie te veranderen in een strijd over politieke invloed.
Coalitiepartners zijn geen eigenaars van staatsfuncties
De kwestie bij TAS raakt bovendien aan een groter probleem in de Surinaamse politiek: de manier waarop publieke functies en partijpolitieke voordrachten met elkaar verweven kunnen raken.
Wanneer een partij een kandidaat voordraagt voor een publieke functie, ontstaat daarmee geen eigendomsrecht op die functie.
De functionaris moet handelen binnen de toepasselijke wetgeving en de grenzen van de eigen bevoegdheden. Tegelijkertijd mogen ministers en toezichthoudende organen niet naar willekeur optreden. Ook zij moeten hun besluiten kunnen verantwoorden.
Dat betekent dat de positie van Jap-A-Joe op basis van de wet, haar benoemingsbesluit, haar arbeidsovereenkomst en de relevante bevoegdheidsregels moet worden beoordeeld. Niet op basis van de vraag welke coalitiepartner haar heeft voorgedragen of welke partij politiek voordeel denkt te behalen.
Hetzelfde geldt voor de ABOP. De partij mag haar bezwaren uiten en haar parlementaire instrumenten gebruiken, maar moet duidelijk maken dat zij een rechtsbeginsel verdedigt en niet uitsluitend de invloed van haar eigen politieke netwerk.
Een staatsinstelling is geen verlengstuk van een partij. En een coalitie is geen overeenkomst waarin iedere partij onbeperkt aanspraak kan maken op de functies die zij ooit heeft helpen invullen.
De prijs van selectieve verontwaardiging
Politieke verontwaardiging is niet automatisch verkeerd. Soms is een scherpe reactie noodzakelijk om misstanden aan de orde te stellen.
Maar wanneer burgers de indruk krijgen dat politieke partijen vooral fel worden zodra hun eigen belangen in het geding zijn, tast dat het vertrouwen in de politiek aan.
De ABOP kan die indruk niet wegnemen door alleen te benadrukken dat de kwestie bij TAS ernstig is. Zij moet ook laten zien dat zij dezelfde ernst aan de dag legt bij problemen die niet om één directeur draaien, maar om de bestaanszekerheid en rechten van grote groepen mensen.
Wat heeft de partij concreet bereikt voor de grondenrechten? Welke resultaten zijn geboekt voor slachtoffers van overstromingen in het binnenland? Welke toezeggingen zijn nagekomen en welke problemen wachten nog op een oplossing? En welke politieke consequenties verbindt de partij aan het uitblijven van resultaten op zulke terreinen?
Dat zijn geen vragen die uitsluitend aan de ABOP moeten worden gesteld. Ze gelden voor alle partijen die regeringsverantwoordelijkheid dragen of zeggen op te komen voor kwetsbare gemeenschappen. Maar wanneer de ABOP zich zo nadrukkelijk profileert in de TAS-kwestie, mag zij ook worden gevraagd haar bredere politieke prioriteiten toe te lichten.
Het volk verdient meer dan strijd om posities
De kern van deze discussie is niet dat de ABOP zich niet zou mogen inzetten voor Wendy Jap-A-Joe. De kern is dat die inzet moet passen binnen een bredere, geloofwaardige visie op rechtvaardigheid en goed bestuur.
Als de partij vindt dat de wet moet worden gerespecteerd, moet zij dat beginsel verdedigen voor iedereen. Als zij vindt dat de regering haar verantwoordelijkheid moet nemen, moet zij diezelfde regering ook aanspreken wanneer burgers in het binnenland onvoldoende hulp krijgen of wanneer de grondenrechten opnieuw niet tot een duurzame oplossing komen.
En als de partij vindt dat publieke functies zorgvuldig moeten worden behandeld, moet zij ook uitleggen hoe zij voorkomt dat zulke functies onderdeel worden van partijpolitieke machtsverhoudingen.
De ABOP hoeft niet bij ieder conflict de coalitie te verlaten. Maar zij moet wel duidelijk maken waar haar grenzen liggen en welke resultaten zij voor de samenleving nastreeft. Anders blijft de vraag hangen of de felheid rond TAS voortkomt uit een algemeen beginsel of vooral uit de bescherming van een eigen politiek belang.
Suriname heeft behoefte aan politieke partijen die niet alleen in beweging komen wanneer een functie, voordracht of machtspositie wordt bedreigd.
Het land heeft behoefte aan vertegenwoordigers die dezelfde vasthoudendheid tonen wanneer burgers wachten op erkenning van hun rechten, hulp na een ramp of oplossingen voor problemen die al jarenlang aanslepen.
Want uiteindelijk wordt de waarde van een politieke partij niet bepaald door hoe hard zij strijdt voor één directeur, maar door de vraag of zij met dezelfde vastberadenheid opkomt voor de rechten en het welzijn van het volk.
Ben M.D.
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







