De Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) maakt zich zorgen over de mogelijke gevolgen van Algemene Beschikking van de Deviezencommissie voor lokale productiebedrijven.
Volgens de regeling moeten exporteurs hun exportopbrengsten repatriëren en minimaal 35 procent daarvan binnen drie werkdagen verkopen aan een deviezenbank in Suriname.
Hoewel de VSB het belang van voldoende beschikbaarheid van vreemde valuta voor de Surinaamse economie onderschrijft, waarschuwt de organisatie dat een algemene verplichting tot verkoop van exportopbrengsten onbedoeld juist bedrijven kan raken die nodig zijn voor de versterking van de binnenlandse productie.
Producenten hebben eigen deviezen nodig
Vooral producenten van voedingsmiddelen, hygiëneproducten en andere gebruiksartikelen zijn voor hun bedrijfsvoering sterk afhankelijk van vreemde valuta.
Zij moeten onder meer grondstoffen, verpakkingsmaterialen, machines, reserveonderdelen en andere kapitaalgoederen uit het buitenland importeren.
Wanneer deze ondernemingen een deel van hun zelf verdiende vreemde valuta verplicht moeten omzetten in Surinaamse dollars, kunnen zij later opnieuw vreemde valuta moeten aankopen om hun importverplichtingen te betalen.
Volgens de VSB ontstaat hierdoor een onnodige financiële tussenstap die kan leiden tot hogere kosten, onzekerheid en vertraging in de bedrijfsvoering.
Regeling kan investeringen afremmen
De werkgeversorganisatie vreest dat de regeling bovendien gevolgen kan hebben voor investeringen en de verdere ontwikkeling van de productiesector.
Bedrijven die hun productiecapaciteit willen uitbreiden, hebben juist behoefte aan voldoende toegang tot vreemde valuta om machines, technologie en onderdelen aan te schaffen.
Wanneer exportopbrengsten eerst verplicht moeten worden verkocht en vervolgens opnieuw vreemde valuta moeten worden gekocht, kunnen bedrijven worden geconfronteerd met extra transactiekosten en koersrisico’s.
Dit kan volgens de VSB de bereidheid om te investeren verminderen en daarmee de ontwikkeling van een concurrerende productiesector vertragen.
Exporterende producenten hebben bijzondere positie
De VSB benadrukt dat niet iedere exporteur dezelfde economische positie heeft. Een bedrijf dat vrijwel volledig voor de buitenlandse markt produceert, verschilt wezenlijk van een onderneming die hoofdzakelijk voor de Surinaamse markt produceert en slechts een beperkt deel van zijn productie exporteert.
Juist deze laatste categorie bedrijven levert volgens de VSB een belangrijke bijdrage aan de economie door lokale werkgelegenheid te creëren, import te vervangen en de productie in Suriname te diversifiëren.
Een producent kan bijvoorbeeld exportopbrengsten genereren, maar tegelijkertijd voor het grootste deel van zijn productie afhankelijk zijn van geïmporteerde grondstoffen en productiemiddelen. Het verplicht verkopen van een deel van de exportvaluta kan in zo’n situatie contraproductief uitpakken.
VSB pleit al sinds 2025 voor gerichte vrijstelling
De VSB heeft naar eigen zeggen al op 21 november 2025 voorgesteld om producerende bedrijven die minder dan 60 procent van hun totale omzet uit export halen, vrij te stellen van de retentieregeling.
Met een dergelijke gerichte benadering kan volgens de organisatie een beter onderscheid worden gemaakt tussen verschillende typen exporteurs.
Het uitgangspunt is daarbij dat producerende bedrijven hun zelf verdiende vreemde valuta zoveel mogelijk moeten kunnen gebruiken voor de financiering van hun eigen importbehoeften.
Daarmee wordt voorkomen dat bedrijven hun exportinkomsten eerst moeten omzetten om vervolgens opnieuw vreemde valuta op de markt te moeten kopen.
VSB: beleid moet lokale productie ondersteunen
De discussie over de deviezenregeling raakt volgens de VSB aan een bredere economische beleidskeuze. Suriname wil de afhankelijkheid van import verminderen, de lokale productie versterken en de economie verder diversifiëren.
Beleidsmaatregelen op het gebied van deviezen moeten daarom volgens de werkgeversorganisatie aansluiten bij deze doelstellingen.
Een regeling die exporterende productiebedrijven extra financiële lasten en onzekerheid oplegt, kan volgens de VSB juist het tegenovergestelde effect hebben.
Gerichte aanpak noodzakelijk
De VSB roept daarom op tot een gerichte vrijstelling voor producerende ondernemingen die hoofdzakelijk voor de binnenlandse markt produceren.
Volgens de organisatie is het mogelijk om tegelijkertijd voldoende vreemde valuta beschikbaar te houden voor de economie én bedrijven ruimte te geven om hun eigen exportopbrengsten te gebruiken voor noodzakelijke importen.
De kern van het voorstel is volgens de VSB eenvoudig: ondernemingen die zelf vreemde valuta verdienen, moeten in staat worden gesteld die valuta ook effectief te gebruiken om hun productie draaiende te houden en verder uit te breiden.
Een dergelijke benadering zou niet alleen de continuïteit van bestaande bedrijven kunnen ondersteunen, maar ook bijdragen aan werkgelegenheid, importsubstitutie, investeringen en economische diversificatie.






