De maatschappelijke en sociale mediacommotie rond uitlatingen van DNA-lid Ameerani Jarbandhan (VHP) laat pijnlijk zien hoe kwetsbaar het publieke debat in Suriname is geworden voor verdraaiing, framing en ongerechtvaardigde gevolgtrekkingen.
UMA constateert dat aan de woorden van Jarbandhan een zodanige twist en verdraaiing is gegeven, dat er aannames zijn ontstaan die feitelijk onjuist zijn en inhoudelijk geen steun vinden in wat zij daadwerkelijk heeft gezegd.
Dat slechts een klein deel van haar zin viraal is gegaan, losgerukt uit context, heeft de discussie doen ontsporen. Niet omdat haar standpunt onhoudbaar zou zijn, maar omdat woorden haar ten onrechte in de mond zijn gelegd.
Parlementaire realiteit: geen ruimte om uit te spreken
Het is geen geheim dat het parlementair debat in De Nationale Assemblée vaak wordt gekenmerkt door interrupties, politieke spelletjes en beperkte spreektijd.
Het is dan ook niet ongebruikelijk dat leden – zeker jongere of minder ervaren parlementariërs – niet altijd de ruimte krijgen om hun gedachte volledig af te ronden of misinterpretaties direct te corrigeren.
UMA wijst erop dat deze realiteit niet mag worden misbruikt om uitspraken te vervormen en vervolgens als ‘bedoeling’ te presenteren. Dat is onzorgvuldig en ondermijnt het democratisch proces.
De vraag waarover velen struikelden
Een centrale vraag die door Jarbandhan werd opgeworpen, maar vervolgens doelbewust of gemakshalve is genegeerd en verdraaid, luidt:
Wil men de Procureur-Generaal vervangen vanwege haar politieke kleur? En zo ja: weten de initiatiefnemers überhaupt wat haar politieke kleur is?
Deze vragen zijn legitiem en allesbehalve beschuldigend. Ze nodigen uit tot een inhoudelijke discussie, geen aanval op de pg of het willen bespreken van de politieke kleur van de pg, zoals door velen is aangehaald.
Het lid heeft een prangende vraag gesteld die leeft onder de gemeenschap en waar de pg haast dagelijks van wordt beschuldigd.
UMA stelt dus de vraag wederom namens het lid: Wil men de Procureur-Generaal vervangen vanwege haar politieke kleur? En zo ja: weten de initiatiefnemers überhaupt wat haar politieke kleur is? ( Let wel: het verschil zit in sub b van de vraag)
Wij moeten durven om zaken te benoemen en niet komen met omwegen. Deze vraag had simpel beantwoord kunnen worden met: “Nee. De Procureur-Generaal wordt niet beoordeeld of benaderd op basis van haar politieke overtuiging, vermeende politieke kleur of partij-affiliatie.”
Of
“De initiatiefnemers beschikken niet over, noch hebben zij onderzocht, de politieke overtuiging van de Procureur-Generaal. Dat is geen onderdeel geweest van enige afweging.”
Of
“Iedere burger, inclusief de Procureur-Generaal, heeft op grond van artikel 2 van de Grondwet het recht op een politieke overtuiging. Dat recht is geen diskwalificerende factor voor het uitoefenen van een ambt.”
Of
“De enige relevante vraag is of de Procureur-Generaal haar bevoegdheden uitoefent binnen de grenzen van de wet, onafhankelijk, niet-selectief en controleerbaar.”
Een volwassen antwoord bevat ook dit onderscheid:
“Ingrijpen is pas aan de orde indien aantoonbaar sprake is van selectieve vervolging, machtsmisbruik of handelen in strijd met wet en recht. Zolang dat niet met feiten is onderbouwd, is politieke kleur geen onderwerp van discussie.”
Politieke overtuiging is géén diskwalificatie
In het publieke debat wordt gesuggereerd dat de Procureur-Generaal (PG) ‘gelinkt’ zou zijn aan een politieke partij, in het bijzonder de VHP. Zelfs áls dat zo zou zijn, is dat staatsrechtelijk niet relevant.
De Surinaamse Grondwet is hier glashelder. Artikel 2 waarborgt het gelijkheidsbeginsel en verbiedt discriminatie op onder meer:
• politieke overtuiging,
• afkomst,
• sociale of economische positie,
• of enige andere status.
Dat betekent dat ook de PG, als burger, het grondrecht heeft op een politieke overtuiging en zelfs lidmaatschap van een politieke partij. Dat recht vervalt niet bij benoeming tot een hoge staatsrechtelijke functie.
Waar de discussie wél over moet gaan
Het probleem ontstaat niet bij het hebben van een politieke overtuiging, maar uitsluitend wanneer die overtuiging:
• wordt misbruikt,
• leidt tot selectieve strafrechtelijke vervolging,
• of tot ongelijke behandeling in strijd met de wet.
En precies dát is waar de discussie over zou moeten gaan. Niet over vermoedens, insinuaties of politieke kleurcodes, maar over feiten, toetsbare handelingen en institutionele waarborgen.
Zolang niet met concrete feiten kan worden aangetoond dat sprake is van selectieve vervolging of misbruik van bevoegdheden, dienen debatten zuiver, juridisch onderbouwd en vrij van verdachtmakingen te worden gevoerd.
Verdraaiing als politiek instrument
UMA betreurt het dat in plaats van een inhoudelijk debat over:
• de versterking van het Openbaar Ministerie,
• de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht,
• en institutionele checks and balances, is gekozen voor een narratief waarin woorden worden verdraaid en personen via suggestieve interpretaties in een kwaad daglicht worden gesteld. Dat is geen democratisch debat, maar bewuste manipulatie.
Leren luisteren is een kunst
Surinamers moeten leren om:
• beter te luisteren,
• begrijpend te luisteren,
• en zich te onthouden van onnodige gevolgtrekkingen.
Juist daarin zijn wij collectief tekortgeschoten. Niet elk ongemakkelijk standpunt is een aanval. Niet elke vraag is een beschuldiging. En niet elke parlementariër die nuance zoekt, is ‘onrijp’.
UMA verdedigt hier niet een persoon, maar een principe: dat parlementariërs, c.q. personen niet mogen worden afgerekend op woorden die zij niet hebben uitgesproken, en dat cruciale staatsrechtelijke discussies niet mogen verzanden in politieke verdachtmakingen.
De kern ligt bij institutionele versterking, niet bij persoonsgerichte afleiding.







