Surinaamse ouders die tientallen jaren geleden naar Nederland kwamen, werkten hard om hun kinderen een betere toekomst te geven.
Soms lukte dat via werk in de zorg of schoonmaak. Soms belandden gezinnen door omstandigheden in de bijstand.
Maar wie vandaag rondkijkt in steden als Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, ziet steeds vaker zonen en dochters met een diploma op zak.
Die ontwikkeling valt ook terug te zien in de cijfers.
Van een moeilijke start naar een nieuwe generatie
Veel Surinamers kwamen in de jaren zeventig en rond de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland.
Een deel daarvan kreeg te maken met financiële problemen en had vaker een beroep op sociale voorzieningen dan gemiddeld in Nederland, aldus het CBS.
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek ontving 4,2 procent van de Nederlandse bevolking in 2022 een bijstandsuitkering. Onder mensen met een Surinaamse achtergrond lag dit aandeel hoger, vooral onder de eerste generatie.
Toch is er een duidelijke verandering zichtbaar. De tweede generatie Surinaamse Nederlanders is minder afhankelijk van de bijstand dan hun ouders.
Steeds meer diploma’s
In 2022 had 37,8 procent van de in Nederland geboren Surinamers tussen 25 en 45 jaar een hbo of wo diploma. In 2015 was dat nog 32 procent.
Daarnaast stonden in studiejaar 2025/2026 meer dan 13.000 studenten met een Surinaamse achtergrond ingeschreven in het hoger onderwijs. Ook volgen jongeren met een migratieachtergrond steeds vaker havo en vwo.
Onderzoekers wijzen erop dat kinderen uit gezinnen met een lager inkomen vaak later alsnog een inhaalslag maken via mbo, hbo of universiteit.
Het beeld dat alle kinderen van ouders met een bijstandsuitkering hoogopgeleid zijn, klopt niet. Toch laten de cijfers een duidelijke trend zien: veel Surinaamse gezinnen maken over generaties heen sociale vooruitgang.
Voor veel ouders is dat misschien wel de grootste beloning van hun jarenlange inzet in Nederland.







