Het Openbaar Ministerie heeft een officiële richtlijn vastgesteld voor de behandeling van gevallen waarin publieke functionarissen niet of niet tijdig voldoen aan de Verplichte Verklaring van Inkomen en Vermogen (VIV).
Deze richtlijn geldt voor de eerste invoeringsfase en markeert een belangrijke stap in de versterking van transparantie, integriteit en publieke verantwoording binnen het Surinaamse openbaar bestuur.
Internationale anticorruptie-instrumenten, zoals die van de Verenigde Naties en regionale toezichthouders, benadrukken dat vermogensverklaringen een essentieel middel zijn om belangenverstrengeling, onverklaarbare verrijking en corruptie vroegtijdig te signaleren.
Wettelijke basis: geen vrijblijvendheid
De verplichting tot het indienen van de VIV is vastgelegd in: artikel 9 en 10 van de Anti-Corruptiewet,
artikel 17 lid 1 van dezelfde wet, waarin niet-naleving strafbaar is gesteld en het Staatsbesluit van 5 september 2023 (S.B. 2023 no. 127).
Het OM benadrukt dat deze richtlijn geen opschorting van de wet betekent. De wettelijke verplichting blijft volledig van kracht; de richtlijn geeft slechts richting aan hoe en wanneer het OM handhavend optreedt.
Waarom deze richtlijn van belang is
Uit internationale ervaringen blijkt dat een te strikte handhaving in de beginfase van nieuwe anticorruptiemaatregelen kan leiden tot:
administratieve overbelasting;
juridische procedures op formele gronden;
afname van vrijwillige naleving.
Daarom kiest het OM in de eerste fase voor een gefaseerde, proportionele aanpak, met als doel:
bewustwording te vergroten;
naleving structureel te bevorderen;
ernstige en opzettelijke overtredingen effectief aan te pakken.
Concrete maatregelen die het Openbaar Ministerie kan treffen
1. Formele waarschuwing
Na melding door de Anti-corruptie Commissie ontvangt de betrokken functionaris een schriftelijke waarschuwing, waarin wordt gewezen op:
de wettelijke verplichting tot indiening;
de strafrechtelijke gevolgen bij blijvende nalatigheid;
de mogelijkheid tot herstel binnen zes maanden.
2. Beleidsmatige hersteltermijn van zes maanden
Het OM hanteert in beginsel een hersteltermijn van zes maanden, mits:
geen sprake is van opzettelijke weigering;
geen fraude of misleiding is vastgesteld;
betrokkene bereidheid toont alsnog te voldoen;
het de eerste indiening betreft.
Deze maatregel is bedoeld om vrijwillige naleving te stimuleren zonder direct tot strafvervolging over te gaan.
3. Monitoring en dossieropbouw
Tijdens de herstelperiode:
monitort de Anti-corruptie Commissie de naleving;
registreert zij herstel of voortgezette nalatigheid;
houdt het OM de zaak aan, terwijl het dossier wordt opgebouwd.
4. Strafrechtelijke vervolgstappen
Indien na afloop van de hersteltermijn geen naleving plaatsvindt, kan het OM overgaan tot:
strafrechtelijk onderzoek;
(voorwaardelijk) sepot;
of daadwerkelijke vervolging.
De keuze hangt af van ernst, duur en omstandigheden van de overtreding.
5. Onmiddellijk optreden bij ernstige gevallen
De richtlijn biedt geen bescherming bij:
expliciete weigering;
herhaald negeren van waarschuwingen;
bewuste frustratie van toezicht;
misleiding of vervalsing van gegevens.
In deze gevallen kan het OM direct handhavend optreden, zonder hersteltermijn.
Tijdelijk karakter en evaluatie
De richtlijn is vastgesteld door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname en geldt van 16 februari 2026 tot 15 augustus 2026. Na afloop volgt een evaluatie op basis van:
nalevingspercentages;
bevindingen van toezichthouders;
ervaringen van uitvoerende instanties;
maatschappelijke impact.
De uitkomsten kunnen leiden tot aanscherping of structurele verankering van het beleid.







