Volgens de huidige planning zal de grootschalige olie-industrie in Suriname in 2028 volledig op gang komen. Hoewel Suriname reeds ervaring heeft met olieproductie, staat het land volgens kritische burger Preani Koendjbiharie aan de vooravond van een ontwikkeling van een totaal andere orde.
De verwachtingen zijn hooggespannen, met beloften van enorme inkomsten en ongekende kansen. Toch waarschuwt hij dat geld op zichzelf geen garantie is voor duurzame ontwikkeling.
Geld was nooit het kernprobleem
Koendjbiharie benadrukt dat Suriname sinds 1975 aanzienlijke inkomsten heeft gegenereerd uit natuurlijke hulpbronnen zoals bauxiet, hout en goud, aangevuld met opbrengsten uit Staatsolie en omvangrijke ontwikkelingshulp van internationale partners.
“Deze middelen hadden ruimschoots voldoende moeten zijn voor een stabiele en duurzame ontwikkeling,” stelt zij. Het uitblijven daarvan roept volgens hem een fundamentele vraag op: wie is er daadwerkelijk beter van geworden?
Kansen én risico’s van de olie-industrie
Hoewel de olie-industrie onmiskenbaar economische groei zal brengen, wijst Koendjbiharie erop dat ontwikkeling altijd twee kanten heeft. Naast kansen zijn er aanzienlijke risico’s.
Het grootste zorgpunt is dat Suriname als samenleving onvoldoende lijkt te zijn voorbereid op de impact van deze grootschalige transformatie. Zonder bewuste keuzes en tijdige beleidsmaatregelen dreigt herhaling van oude fouten, maar dan op grotere schaal.
Lessen uit CARICOM onvoldoende benut
Als voorbeeld noemt hij de toetreding van Suriname tot CARICOM. Het land stelde zich open zonder het eigen bedrijfsleven voldoende te beschermen of voor te bereiden.
Het gevolg was een toestroom van buitenlandse producten, terwijl Surinaamse ondernemers nauwelijks konden profiteren van exportmogelijkheden.
“Deze ervaring had richtinggevend moeten zijn voor toekomstig beleid,” aldus Koendjbiharie, die vreest dat Suriname opnieuw een internationale ontwikkeling ingaat zonder structurele voorbereiding.
Onzekerheid over migratie en sociale druk
Een ander onderbelicht aspect is de verwachte toestroom van buitenlanders. De olie-industrie zal Suriname aantrekkelijk maken voor arbeidsmigranten, investeerders en buitenlandse bedrijven.
Tot op heden is onduidelijk hoeveel mensen dit zullen zijn en welk beleid de overheid hanteert om deze ontwikkeling te reguleren.
Vragen over bescherming van Surinaamse werknemers, huisvesting, zorg, onderwijs en sociale voorzieningen blijven onbeantwoord. Zonder duidelijke kaders dreigen verdringing, sociale spanningen en toenemende ongelijkheid.
Risico op uitsluiting van kwetsbare groepen
Koendjbiharie benadrukt dat ontwikkeling niet uitsluitend mag worden bekeken vanuit het perspectief van hoogopgeleiden en grote bedrijven.
Laaggeschoolden en laaggeletterden lopen een reëel risico om buiten de boot te vallen, omdat veel banen in de olie-industrie specifieke vaardigheden vereisen. Zonder tijdige scholing, omscholing en toegankelijke communicatie kan vooruitgang omslaan in uitsluiting.
Nationale dialoog is geen luxe maar noodzaak
Volgens Koendjbiharie is een brede nationale dialoog dringend nodig – en eigenlijk al te laat. Niet als een eenmalige bijeenkomst, maar als een permanente en eerlijke dialoog met de samenleving.
Een dialoog waarin verwachtingen worden gemanaged, risico’s openlijk worden besproken en beleid tijdig wordt bijgestuurd. De overheid moet daarbij niet alleen de voordelen benadrukken, maar ook transparant zijn over de keerzijden.
Het maatschappelijk middenveld speelt volgens hem een sleutelrol. Maatschappelijke organisaties moeten zich bundelen en gezamenlijk optreden richting de overheid.
“Verdeeld optreden maakt zwak; gezamenlijk optreden maakt sterk,” stelt hij. In een context van afgenomen vertrouwen in de politiek is een deskundig, integer en goed georganiseerd maatschappelijk middenveld onmisbaar.
Rijkdom zonder visie is gevaarlijk
Wat Koendjbiharie het meest zorgen baart, is de wijdverbreide gedachte dat geld vanzelf alle problemen zal oplossen. Zonder visie, transparantie, integriteit en sociale bescherming leidt rijkdom niet tot duurzame ontwikkeling, maar tot grotere ongelijkheid en nieuwe spanningen.
Hij concludeert dat de olie-industrie een zegen kan zijn voor Suriname, maar alleen als het land bereid is te leren van het verleden en van ervaringen elders. Gebeurt dat niet, dan dreigt ook deze rijkdom vooral enkelen te verrijken, in plaats van het volk te dienen.






