De kloof tussen de officiële armoedegrens en de uitkering voor personen met een beperking is geen administratieve vergissing, maar een structureel beleidsprobleem.
Dat stelt Aniel Koendjbiharie, voorzitter van Stichting Wan Okasi, in een scherpe open brief aan de regering van de Suriname en De Nationale Assemblee.
Volgens Koendjbiharie erkent de staat zelf dat een alleenstaande minimaal SRD 7.800 per maand nodig heeft om menswaardig te leven.
Personen met een beperking ontvangen echter SRD 2.750 aan uitkering plus SRD 1.800 koopkrachtversterking, in totaal SRD 4.550. Dat bedrag ligt fors onder het vastgestelde bestaansminimum.
“Dit is geen tijdelijke afwijking,” stelt hij. “Dit is een beleidsstructuur die jaarlijks wordt voortgezet.”
Een erkend minimum, maar geen gelijke bescherming
De armoedegrens, gebaseerd op berekeningen van het Algemeen Bureau voor de Statistiek, omvat kosten voor voeding, huisvesting, nutsvoorzieningen, transport en andere basisbehoeften. Daarmee heeft de overheid zelf bepaald wat minimaal nodig is voor een menswaardig bestaan.
Toch blijft de inkomensondersteuning voor personen met een beperking structureel onder dat niveau. Volgens Wan Okasi creëert dit een situatie waarin een volledige doelgroep systematisch onder het bestaansminimum wordt gehouden.
De kernvraag die de stichting stelt: kan sociale bescherming geloofwaardig zijn wanneer zij onder het door de staat erkende minimum blijft?
Extra kosten, extra achterstand
De situatie wordt volgens Koendjbiharie nog schrijnender wanneer rekening wordt gehouden met de extra kosten die leven met een beperking met zich meebrengt, zoals medische zorg, hulpmiddelen, therapie, persoonlijke assistentie en aangepast vervoer.
Deze lasten zijn niet meegenomen in de algemene armoedeberekening, waardoor de feitelijke financiële druk op deze groep aanzienlijk hoger ligt dan op een gemiddelde alleenstaande.
Dubbele uitsluiting: inkomen én infrastructuur
De stichting wijst daarnaast op een tweede structureel probleem: ontoegankelijke infrastructuur.
Openbare gebouwen, wegen, scholen, werkplekken en transportvoorzieningen zijn volgens Wan Okasi nog steeds onvoldoende aangepast. Tegelijkertijd wordt er onvoldoende geïnvesteerd in betaalbaar zorgvervoer.
Hierdoor ontstaat volgens Koendjbiharie een dubbele uitsluiting: eEen inkomen dat onvoldoende is om zelfstandig te leven en een omgeving die participatie en arbeid bemoeilijkt of onmogelijk maakt.
“De overheid houdt het inkomen laag, maar creëert ook niet de randvoorwaarden om economische zelfstandigheid mogelijk te maken,” stelt hij.
Internationale verplichtingen onder druk
De brief verwijst nadrukkelijk naar het VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (CRPD), dat Suriname heeft onderschreven. Dit verdrag verplicht staten onder meer tot gelijke participatie, non-discriminatie, redelijke aanpassingen en adequate sociale bescherming.
Volgens Wan Okasi kan het structureel handhaven van een uitkering onder het bestaansminimum, zonder aanvullende compenserende maatregelen, worden gezien als een tekortkoming in de implementatie van deze verdragsverplichtingen.
Concrete eisen aan regering en parlement
De stichting roept de regering en De Nationale Assemblee op tot onmiddellijke beleidsactie. De belangrijkste voorstellen:
Koppeling van de uitkering aan de nationale armoedegrens.
Invoering van een formeel compensatiemechanisme voor extra kosten van leven met een beperking.
Budgettaire prioriteit voor betaalbaar zorgvervoer.
Versnelde en afdwingbare implementatie van toegankelijke infrastructuur.
Ontwikkeling van een nationaal actieplan voor volledige uitvoering van het VN-verdrag, met meetbare doelen en jaarlijkse rapportage aan het parlement.
Geen liefdadigheid, maar grondrechten
Koendjbiharie benadrukt dat het pleidooi niet is gebaseerd op medelijden, maar op rechtsgelijkheid.
“Dit is geen verzoek om liefdadigheid. Het gaat om grondrechten en gelijke behandeling voor de wet.”
Volgens Wan Okasi ondermijnt het huidige beleid het principe van sociale rechtvaardigheid. Indien de structurele ongelijkheid niet wordt aangepakt, blijft volgens de stichting de conclusie overeind dat een kwetsbare groep burgers bewust of onbewust onder een door de staat erkend bestaansminimum wordt gehouden.







