De uitzetting van 63 Mennonieten uit Suriname op 31 oktober roept volgens Ajoeb Moentari van het Algemeen Bewustwordingsproces Platform (ABP) een belangrijke vraag op over de gelijkheid voor de wet.
Hij hoopt dat de autoriteiten met dezelfde voortvarendheid optreden wanneer andere personen of groepen de wet overtreden.
Moentari benadrukt dat de handhaving van wet- en regelgeving niet afhankelijk mag zijn van de identiteit, afkomst of maatschappelijke positie van de betrokkenen. De uitzetting van de groep moet volgens hem daarom ook worden gezien in het bredere kader van rechtsgelijkheid en gelijke behandeling.
Niemand staat boven de wet
Volgens Moentari betekent rechtsgelijkheid dat niemand boven de wet staat. Hij stelt dat er geen uitzonderingen mogen worden gemaakt op basis van afkomst, politieke connecties, financiële macht of persoonlijke belangen.
Het ABP verwacht dat de beleidsmakers dezelfde daadkracht tonen bij alle andere gevallen waarin wet- en regelgeving wordt overtreden.
Daarbij moet volgens Moentari voor iedereen dezelfde maatstaf gelden, ongeacht wie bij een overtreding betrokken is.
Gelijke rechtshandhaving als uitgangspunt
Met zijn boodschap vraagt Moentari aandacht voor een consequent en transparant handhavingsbeleid. Het optreden tegen de Mennonieten mag volgens hem geen op zichzelf staand voorbeeld zijn, maar moet passen binnen een bredere praktijk waarin regels voor iedereen op dezelfde wijze worden toegepast.
Zijn oproep is duidelijk: de wet moet voor iedereen gelijk gelden.






