De regering heeft het algemeen minimumuurloon per 1 juli 2026 verhoogd naar SRD 61,25 bruto.
Een stijging van bijna 17 procent klinkt indrukwekkend, maar wie de economische werkelijkheid van Suriname onder ogen ziet, moet zich afvragen wat deze verhoging werkelijk voor de werknemer betekent.
Want terwijl de overheid de verhoging presenteert als een verbetering van het inkomen, blijft de fundamentele vraag onbeantwoord: kan de werkende Surinamer met zijn loon nog behoorlijk leven?
Het probleem is dat het publieke debat zich te gemakkelijk laat leiden door percentages. Een verhoging van SRD 8,78 per uur wordt als vooruitgang gepresenteerd, terwijl de werknemer aan het einde van de maand zelf moet uitzoeken of er voldoende geld overblijft voor voedsel, huur, elektriciteit, water, vervoer, gezondheidszorg en de behoeften van het gezin.
Een hoger loon op papier is geen overwinning wanneer de kosten van levensonderhoud een steeds groter deel van dat loon opslokken.
De regering moet daarom ophouden een nominale loonsverhoging als vanzelfsprekend bewijs van verbetering te presenteren. De werkelijke maatstaf is niet hoeveel SRD’s iemand ontvangt, maar hoeveel bestaanszekerheid die SRD’s opleveren.
Vóór 2010 en nu: een vergelijking die Suriname niet kan negeren
Wie de huidige economische situatie vergelijkt met die van vóór 2010, moet erkennen dat Suriname in de tweede helft van de jaren 2000 met een andere economische werkelijkheid te maken had.
Ook toen bestonden armoede, ongelijkheid en economische kwetsbaarheden. Maar in 2009 bedroeg de inflatie volgens de aangehaalde historische gegevens ongeveer 1,2 procent, terwijl de economische groei rond 3 procent lag.
Dat staat in schril contrast met de economische crisis die Suriname later doormaakte. In 2021, 2022 en 2023 bedroeg de gemiddelde inflatie volgens het IMF respectievelijk 59,1, 52,4 en 51,6 procent. Tegelijkertijd verloor de Surinaamse dollar sterk aan waarde ten opzichte van de Amerikaanse dollar.
De wisselkoers liep op van ongeveer SRD 2,80 per Amerikaanse dollar in 2009 naar aanzienlijk hogere niveaus in de jaren daarna. In 2024 lag de gemiddelde koers volgens de aangehaalde IMF-gegevens rond SRD 33,05 per Amerikaanse dollar.
Wat betekent dit voor de gewone burger? Dat het bedrag op de loonstrook niet meer dezelfde economische betekenis heeft als vroeger. De Surinaamse dollar is wel dezelfde munteenheid, maar de koopkracht ervan is ingrijpend veranderd.
Het is dan ook onhoudbaar om de economische vooruitgang uitsluitend af te meten aan de stijging van het minimumloon.
Wanneer werknemers veel meer geld nodig hebben om dezelfde basisproducten te kopen, zegt het nominale loon weinig over hun werkelijke welvaart.
De vraag die de regering moet beantwoorden, is waarom een werknemer tegenwoordig zoveel meer SRD’s nodig heeft om in zijn basisbehoeften te voorzien en welke concrete maatregelen zij neemt om die ontwikkeling structureel te keren.
De werknemer betaalt de prijs van economische instabiliteit
De economische crisis van de afgelopen jaren heeft de koopkracht van huishoudens zwaar onder druk gezet. Hoge inflatie, wisselkoersverzwakking en stijgende kosten van ingevoerde goederen hebben de financiële ruimte van veel gezinnen beperkt.
Wanneer de prijs van voedsel, brandstof, medicijnen en andere noodzakelijke producten stijgt, kan een werknemer niet eenvoudig besluiten minder te eten, niet meer naar het werk te reizen of noodzakelijke zorg uit te stellen zonder daarvoor een prijs te betalen.
Toch lijkt het minimumloonbeleid vooral te draaien om de vraag met welk percentage het loon moet worden verhoogd. Veel minder aandacht gaat uit naar de vraag hoe de overheid voorkomt dat de volgende prijsstijging een groot deel van die verhoging opnieuw tenietdoet.
Dat is de kern van het probleem. De werknemer wordt geconfronteerd met hogere prijzen en moet vervolgens wachten op een nieuwe loonaanpassing. Tegen de tijd dat die verhoging wordt doorgevoerd, kan een deel van de koopkracht alweer zijn verdwenen.
Een regering die werkelijk opkomt voor de werkende bevolking, kan zich niet beperken tot het achteraf aanpassen van lonen. Zij moet ook zorgen voor economische omstandigheden waarin inkomens niet voortdurend achter de kosten van levensonderhoud aanlopen.
SRD 10.617 bruto per maand: is dat werkelijk voldoende?
Bij een werkweek van 40 uur komt het nieuwe minimumuurloon neer op ongeveer SRD 10.617 bruto per maand. Het gaat om een rekenvoorbeeld op basis van een gemiddelde maand, vóór belastingen en andere inhoudingen.
Het vorige minimumuurloon van SRD 52,47 kwam onder dezelfde aannames neer op ongeveer SRD 9.095 bruto per maand. De verhoging levert dus circa SRD 1.522 bruto extra per maand op.
Dat extra bedrag is welkom. Maar laten we niet doen alsof daarmee het probleem is opgelost.
Wat blijft er van SRD 10.617 over nadat de werknemer zijn huur, boodschappen, vervoer, nutsvoorzieningen en andere noodzakelijke uitgaven heeft betaald?
Wat blijft er over voor schoolgaande kinderen, medische kosten, kleding, onderhoud van de woning en onverwachte financiële tegenvallers?
Voor een alleenstaande zonder kinderen is de situatie al een uitdaging wanneer vaste lasten een groot deel van het inkomen opslokken. Voor een werknemer die een gezin onderhoudt, kunnen de financiële beperkingen nog groter zijn.
Zonder een actuele en transparante berekening van de minimale kosten van levensonderhoud kan niemand op verantwoorde wijze beweren dat dit loon voldoende is.
De regering moet daarom duidelijk maken op basis van welke levensstandaard zij het minimumloon beoordeelt. Een werknemer heeft niet alleen recht op een inkomen waarmee hij kan blijven werken, maar moet ook perspectief hebben op een menswaardig bestaan.
Werkgevers waarschuwen voor kosten, maar wie vertegenwoordigt de werknemer?
De Vereniging Surinaams Bedrijfsleven heeft voorafgaand aan de vaststelling van het nieuwe minimumloon gewezen op de draagkracht van ondernemingen, sectorale verschillen, bestaande loonstructuren en mogelijke gevolgen voor de werkgelegenheid.
Die zorgen mogen niet worden genegeerd. Vooral kleine bedrijven kunnen onder druk komen te staan wanneer de loonkosten stijgen terwijl hun omzet en productiviteit achterblijven.
Maar hier ontstaat een ongemakkelijke vraag: wanneer werkgeversorganisaties waarschuwen voor de kosten van een loonsverhoging, wie bewaakt dan even krachtig de financiële draagkracht van werknemers?
Ook werknemers hebben vaste lasten. Ook zij worden geconfronteerd met hogere prijzen, huurkosten en vervoersuitgaven. Het verschil is dat een werknemer met een laag inkomen doorgaans veel minder mogelijkheden heeft om financiële tegenvallers op te vangen.
Een onderneming kan soms kosten doorberekenen, investeringen uitstellen of haar bedrijfsvoering aanpassen. Een werknemer kan zijn noodzakelijke boodschappen niet onbeperkt uitstellen en kan zijn huur niet betalen met de verwachting dat de economie over enkele jaren zal aantrekken.
Het debat mag daarom niet worden gereduceerd tot de vraag of bedrijven de loonsverhoging kunnen betalen. De vraag is ook of werknemers met het vastgestelde minimumloon hun basisbehoeften kunnen bekostigen.
Een evenwichtig loonbeleid vereist dat beide belangen serieus worden genomen. Maar economische uitvoerbaarheid mag geen excuus worden om werknemers structureel met een ontoereikend inkomen achter te laten.
Minder inflatie betekent niet dat het leven goedkoper is geworden
Een veelgemaakte fout in het economische debat is de suggestie dat de situatie verbetert zodra de inflatie afneemt. Dat is niet noodzakelijk waar voor de huishoudens die de eerdere prijsstijgingen al hebben moeten opvangen.
Wanneer prijzen jarenlang sterk stijgen en vervolgens minder snel stijgen, blijven veel producten duurder dan voorheen. De consument krijgt niet automatisch zijn oude koopkracht terug.
Het IMF raamde de inflatie aan het einde van 2025 op 13 procent en de gemiddelde inflatie voor 2026 op 12,3 procent.
Dat zijn ramingen, geen garantie voor de uiteindelijke prijsontwikkeling. Ze maken echter duidelijk dat prijsstabiliteit nog altijd een belangrijk aandachtspunt is.
Als het minimumloon met bijna 17 procent stijgt, kan dat een reële verbetering opleveren. Maar daarvoor moet de loonstijging worden vergeleken met de feitelijke prijsontwikkeling over dezelfde periode. Het is onjuist om het volledige percentage als koopkrachtwinst te presenteren zonder die berekening te maken.
De regering moet stoppen met het verwarren van minder snel stijgende prijzen met betaalbaarheid. Voor de burger telt niet alleen hoe snel prijzen stijgen, maar vooral het prijsniveau waarmee hij dagelijks wordt geconfronteerd.
De olierijkdom komt eraan, maar de werknemer moet vandaag overleven
Suriname kijkt uit naar de verwachte inkomsten uit offshore olieproductie. Die ontwikkeling kan het land aanzienlijke economische kansen bieden. Maar toekomstige olie-inkomsten lossen de financiële problemen van huishoudens vandaag niet vanzelf op.
De gewone werknemer kan zijn boodschappen niet betalen met toekomstige olieopbrengsten. Een ondernemer kan zijn huidige kosten niet voldoen met inkomsten die nog moeten worden gerealiseerd. En een gezin dat moeite heeft om de maand door te komen, heeft weinig aan voorspellingen over economische groei wanneer die groei niet zichtbaar wordt in zijn eigen levensomstandigheden.
De regering moet daarom duidelijk maken hoe toekomstige olie-inkomsten zullen bijdragen aan betere banen, hogere productiviteit, onderwijs, gezondheidszorg en economische kansen voor de lokale bevolking.
Het zou een ernstige beleidsfout zijn als Suriname zich voorbereidt op een periode van grotere nationale inkomsten, terwijl een aanzienlijk deel van de werkende bevolking onvoldoende financiële ruimte heeft om menswaardig te leven.
Economische groei die niet doorwerkt in de levensstandaard van burgers is geen overtuigend succesverhaal. Het is hoogstens een verbetering van macro-economische cijfers.
Een minimumloon zonder koopkrachtbeleid blijft half werk
Het minimumloon is een belangrijk instrument om werknemers tegen buitensporig lage beloning te beschermen. Maar het kan niet zelfstandig alle gevolgen van economische instabiliteit oplossen.
De regering moet een samenhangend beleid voeren waarin loonontwikkeling, inflatiebestrijding, begrotingsdiscipline, productiviteitsgroei en sociale bescherming elkaar versterken.
Daarbij hoort een transparante berekening van de kosten van een minimaal maar menswaardig bestaan. Ook moet periodiek worden onderzocht hoeveel koopkracht werknemers daadwerkelijk hebben gewonnen of verloren.
Daarnaast moet de overheid de naleving van het minimumloon controleren. Een wettelijk tarief heeft weinig waarde als werkgevers het niet naleven of werknemers hun rechten niet durven op te eisen.
Tegelijkertijd moet het bedrijfsleven worden ondersteund bij het verhogen van de productiviteit en het creëren van duurzame werkgelegenheid, zonder dat de rekening daarvan structureel bij werknemers met de laagste inkomens wordt gelegd.
Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om ervoor te zorgen dat economische stabilisatie niet alleen zichtbaar is in begrotingscijfers en rapporten van internationale financiële instellingen, maar ook in de portemonnee van de burger.
Conclusie: stop met het verkopen van een loonsverhoging als welvaart
De verhoging van het minimumuurloon naar SRD 61,25 is een noodzakelijke aanpassing voor werknemers die afhankelijk zijn van het wettelijke minimum. Maar het is geen reden voor de regering om tevreden achterover te leunen.
De vergelijking met de periode vóór 2010 maakt duidelijk hoe ingrijpend de economische werkelijkheid is veranderd.
De zware inflatie van de afgelopen jaren en de sterke verzwakking van de Surinaamse dollar hebben de betekenis van het nominale inkomen aangetast. Tegen die achtergrond moet iedere loonsverhoging worden beoordeeld op haar werkelijke effect op de koopkracht.
De werknemer heeft weinig aan een hoger bedrag als de kosten van levensonderhoud zijn financiële ruimte blijven opslokken.
Hij heeft behoefte aan stabiele prijzen, voorspelbare economische omstandigheden, betaalbare basisvoorzieningen en een inkomen dat voldoende is om in zijn noodzakelijke behoeften te voorzien.
De regering moet daarom niet alleen uitleggen hoeveel het minimumloon is gestegen, maar vooral aantonen hoeveel beter de werknemer ervan kan leven.
Zolang die onderbouwing ontbreekt, blijft de verhoging een aanpassing van het nominale loon, geen overtuigend bewijs van economisch herstel.
Suriname heeft geen behoefte aan een beleid waarin hogere bedragen op papier als succes worden verkocht. Het land heeft behoefte aan een economie waarin werken daadwerkelijk loont, waarin de munt haar waarde behoudt en waarin economische groei voelbaar wordt in het dagelijks leven.
Want uiteindelijk wordt de economische toestand van een land niet uitsluitend bepaald door de cijfers die de regering presenteert, maar ook door de vraag of de burger met zijn inkomen de maand kan doorkomen zonder voortdurend te moeten kiezen welke noodzakelijke uitgave hij deze keer achterwege laat.
N. Mohari
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







