De Nederlandse minister-president Rob Jetten heeft vertegenwoordigers van de Marrongemeenschappen uit Suriname ontvangen voor een gesprek over de verdere invulling van de Nederlandse excuses voor het slavernijverleden.
Centraal stond de vraag hoe de stap van erkenning en excuses naar concrete vormen van herstel en samenwerking kan worden gezet.
Jetten benadrukte dat de excuses voor het Nederlandse slavernijverleden geen eindpunt vormen. De Nederlandse regering sprak in 2022 over een ‘komma, geen punt’. Volgens de premier is het nu zaak om daadwerkelijk invulling te geven aan wat na die komma komt.
Marrongeschiedenis nauw verbonden met Nederland
Tijdens het gesprek stonden de ervaringen, geschiedenis en perspectieven van de Marrongemeenschappen centraal. De Marrons zijn grotendeels afstammelingen van tot slaaf gemaakte Afrikanen die tijdens de slavernij uit de plantages wisten te ontsnappen en in het Surinaamse binnenland eigen gemeenschappen opbouwden.
Hun geschiedenis is daarmee nauw verbonden met de Nederlandse koloniale geschiedenis van Suriname. Het Nederlandse slavernijsysteem was gedurende ruim drie eeuwen onderdeel van de koloniale economie, waarbij mensen onder dwang op onder meer Surinaamse plantages werden tewerkgesteld.
De Marrongemeenschappen ontwikkelden vanuit hun strijd om vrijheid eigen sociale, culturele en bestuurlijke structuren.
Die geschiedenis onderscheidt zich op belangrijke punten van die van andere nazatengroepen en vormt daarmee een eigen perspectief binnen het bredere debat over het slavernijverleden.
Van excuses naar concrete vervolgstappen
Nederland bood op 19 december 2022 officieel excuses aan voor het handelen van de Nederlandse Staat in het slavernijverleden.
Bij die gelegenheid stelde de toenmalige minister-president Mark Rutte dat Nederland een komma en geen punt wilde zetten. Het kabinet kondigde daarnaast een fonds van €200 miljoen aan voor onder meer bewustwording, betrokkenheid en het tegengaan van de doorwerking van het slavernijverleden.
De Nederlandse regering heeft sindsdien verschillende trajecten opgezet rond herdenking, bewustwording, onderzoek en maatschappelijke initiatieven.
Voor Suriname is inmiddels ook een afzonderlijk subsidieprogramma beschikbaar voor maatschappelijke initiatieven rond het trans-Atlantische slavernijverleden voor de periode 2026–2030. Het programma richt zich onder meer op kennis, bewustwording, erkenning, herdenking en verwerking.
Tegelijkertijd is vanuit nazatenorganisaties kritiek geuit op de snelheid en samenhang van de uitvoering. In gesprekken met het kabinet is onder meer gepleit voor een nationale, structurele Route Naar Herstel, waarbij niet alleen symbolische erkenning maar ook concrete maatschappelijke en sociaaleconomische gevolgen van het slavernijverleden worden meegenomen.
Specifieke positie van Marrons
De positie van de Marrongemeenschappen heeft binnen dit proces steeds nadrukkelijker aandacht gekregen. In 2025 werd in een voortgangsrapportage van de Nederlandse regering al aangegeven dat de dialoog met Suriname aandacht moest hebben voor de perspectieven van zowel de Inheemse als de Marrongemeenschappen.
Daarbij werd verwezen naar de behoefte aan een Surinaams platform waarin verschillende betrokken groepen vertegenwoordigd zijn.
Ook vanuit maatschappelijke organisaties in Nederland is benadrukt dat de ervaringen van Inheemse en Marrongemeenschappen tot dusver onvoldoende zichtbaar zijn geweest in het bredere gesprek over herstel en de doorwerking van het slavernijverleden.
De ontmoeting van Jetten met de Marronvertegenwoordigers sluit daarop aan. De premier gaf aan dat het belangrijk is om rechtstreeks van de gemeenschappen te horen hoe zij de verdere invulling van ‘de komma’ zien.
‘Dat doen we samen’
Volgens Jetten kan de volgende fase niet uitsluitend vanuit de Nederlandse overheid worden bepaald. De ervaringen en voorstellen van de gemeenschappen die rechtstreeks met het slavernijverleden verbonden zijn, moeten daarbij worden meegenomen.
Daarmee verschuift het gesprek van uitsluitend erkenning van het verleden naar de vraag wat herstel in de praktijk betekent.
Voor de Marrongemeenschappen kan dat gesprek niet los worden gezien van hun eigen geschiedenis, identiteit, positie en ervaringen binnen Suriname en de relatie met Nederland.
Jetten onderstreepte dat het proces gezamenlijk moet worden voortgezet: “Aan de slag met de komma na de excuses voor het slavernijverleden, dat doen we samen.”
De ontmoeting vormt daarmee een volgende stap in de Nederlands-Surinaamse dialoog over het slavernijverleden.
De belangrijkste vraag voor de komende periode is hoe het gesprek kan worden vertaald naar concrete en duurzame maatregelen waarin ook de specifieke stem van de Marrongemeenschappen daadwerkelijk wordt meegenomen.






