De aangekondigde loonsverhoging van 15 procent voor ambtenaren heeft een oude, maar steeds urgenter wordende vraag opnieuw op tafel gelegd: hoe lang kan de overheid de huidige benzinecap financieel blijven dragen?
Volgens de huidige verwachtingen is de bestaande brandstofprijsbeperking mogelijk na eind september niet langer houdbaar.
Als de overheid besluit de benzineprijs daarna meer marktconform te laten bewegen, kunnen automobilisten en ondernemers geconfronteerd worden met een hogere pompprijs.
Daarmee dreigt een ongemakkelijke realiteit zichtbaar te worden. Een loonsverhoging kan op papier koopkrachtverbetering betekenen, maar als tegelijkertijd de kosten voor brandstof, transport, voeding en andere dagelijkse uitgaven stijgen, kan een deel van dat voordeel snel weer verdwijnen.
De vraag is dan ook niet alleen óf de benzinecap kan worden gehandhaafd, maar vooral: wie betaalt uiteindelijk de rekening van het huidige economische beleid?
Een loonsverhoging is geen gratis geld
De 15 procent loonsverhoging voor ambtenaren moet worden bekeken binnen de bredere financiële positie van de staat. Hogere lonen betekenen immers structureel hogere overheidsuitgaven.
Wanneer daar ook nog subsidies op brandstof bovenop komen, ontstaat een combinatie die op lange termijn moeilijk vol te houden kan zijn. De overheid kan niet onbeperkt stijgende uitgaven blijven financieren zonder ergens anders ruimte te creëren.
Dat betekent echter niet automatisch dat het afbouwen van de benzinecap de enige of beste oplossing is.
Juist daar begint het politieke debat.
Wie wordt beschermd door de benzinecap?
Een algemene brandstofsubsidie lijkt op het eerste gezicht sociaal, omdat iedereen aan de pomp profiteert van een lagere prijs. Maar tegelijkertijd rijst de vraag of een dergelijke maatregel wel de meest gerichte manier is om huishoudens met lage inkomens te beschermen.
Een persoon met een grote auto en een hoog brandstofverbruik ontvangt immers meer voordeel van een lage benzineprijs dan iemand die nauwelijks over een auto beschikt.
De staat moet daarom eerlijk durven kijken naar de vraag of miljarden aan publieke middelen het beste kunnen worden ingezet om de brandstofprijs voor iedereen laag te houden, of dat gerichtere vormen van inkomensondersteuning effectiever zijn.
Een benzinecap zonder duidelijke einddatum kan bovendien een vals gevoel van betaalbaarheid creëren. De werkelijke kosten verdwijnen niet. Ze worden slechts tijdelijk door de staat overgenomen.
De automobilist dreigt opnieuw de sluitpost te worden
Als de benzinecap inderdaad na september wordt beëindigd, is het begrijpelijk dat automobilisten en ondernemers zich zorgen maken.
Brandstof is immers geen geïsoleerd product. Een hogere benzineprijs werkt door in transportkosten, distributie, openbaar vervoer, goederenprijzen en uiteindelijk in de kosten van levensonderhoud.
Voor ondernemers betekent een stijgende brandstofprijs bovendien hogere operationele kosten. Een transportbedrijf, taxichauffeur, kleine ondernemer of marktverkoper kan die kosten niet altijd absorberen. Uiteindelijk zullen veel bedrijven gedwongen zijn een deel ervan door te berekenen aan de consument.
Daarmee ontstaat een kettingreactie: hogere brandstofkosten kunnen leiden tot hogere transportkosten, hogere transportkosten tot hogere prijzen en hogere prijzen tot nieuwe druk op de koopkracht.
De verkeerde vraag is: “Kunnen we de cap betalen?”
De discussie zou daarom niet uitsluitend moeten draaien om de vraag of de staat de benzinecap nog kan betalen.
De belangrijkere vraag is: welk brandstof- en koopkrachtbeleid kan Suriname structureel betalen?
Als de overheid een loonsverhoging geeft, moet tegelijkertijd duidelijk zijn hoe deze wordt gefinancierd. Als een subsidie wordt gehandhaafd, moet duidelijk zijn hoe lang dat verantwoord is. En als een subsidie wordt afgebouwd, moet duidelijk zijn welke maatregelen worden genomen om kwetsbare huishoudens en ondernemers niet onevenredig hard te treffen.
Beleid moet meer zijn dan het verschuiven van kosten van de ene begrotingspost naar de andere.
Suriname heeft behoefte aan een eerlijker energiestrategie
De discussie over benzine raakt bovendien aan een veel groter vraagstuk: de energievoorziening van Suriname.
Zolang de economie sterk afhankelijk blijft van fossiele brandstoffen, blijft de samenleving kwetsbaar voor internationale olieprijzen, wisselkoersschommelingen en binnenlandse beleidskeuzes.
Een structurele oplossing ligt daarom niet alleen in het subsidiëren van benzine. Suriname moet tegelijkertijd investeren in energie-efficiëntie, betrouwbaar openbaar vervoer, alternatieve energiebronnen en een transportbeleid dat minder afhankelijk is van individuele auto’s.
Dat zijn geen oplossingen die morgen aan de pomp zichtbaar zijn, maar wel maatregelen die op langere termijn de druk op huishoudens en de staatskas kunnen verminderen.
Communicatie wordt cruciaal
Als de benzinecap daadwerkelijk wordt beëindigd, zal de regering daarover helder en tijdig moeten communiceren.
De samenleving heeft recht op duidelijkheid over de reden van het besluit, de verwachte gevolgen voor de pompprijs en eventuele maatregelen om de effecten op kwetsbare groepen op te vangen.
Het is onvoldoende om burgers pas te informeren wanneer zij bij het benzinestation geconfronteerd worden met een aanzienlijk hogere prijs.
Evenmin kan van burgers worden verwacht dat zij de rekening van structurele financiële problemen zonder meer accepteren, terwijl zij onvoldoende inzicht hebben in de keuzes die daaraan voorafgingen.
Loonsverhoging mag niet met de ene hand worden gegeven en met de andere worden teruggenomen
De kern van het probleem is uiteindelijk vertrouwen.
Een overheid die ambtenaren 15 procent meer loon geeft, moet kunnen uitleggen hoe die verhoging past binnen de totale financiële huishouding van de staat. Als tegelijkertijd subsidies worden afgebouwd en prijzen stijgen, moet duidelijk worden hoe wordt voorkomen dat de koopkrachtwinst slechts tijdelijk of zelfs schijnbaar is.
Het zou maatschappelijk wrang zijn als werknemers vandaag meer salaris ontvangen, maar morgen een groot deel daarvan weer kwijt zijn aan hogere brandstof-, transport- en voedselprijzen.
Een loonsverhoging heeft pas werkelijk betekenis als mensen er onderaan de streep op vooruitgaan.
Na september begint het echte debat
De mogelijke beëindiging van de benzinecap na eind september moet daarom niet worden gezien als een technische begrotingsmaatregel. Het is een beleidskeuze met directe gevolgen voor de koopkracht van burgers, de kostenstructuur van bedrijven en de inflatie in het land.
De regering staat voor een moeilijke keuze. De brandstofprijs kunstmatig laag houden kan de staatskas verder belasten. De cap abrupt beëindigen kan de samenleving en het bedrijfsleven zwaar raken.
De oplossing ligt daarom niet in het eindeloos uitstellen van het probleem, maar in een transparante overgang naar een systeem waarin ondersteuning gericht is op degenen die haar daadwerkelijk nodig hebben.
De automobilist mag niet opnieuw de sluitpost van het economische beleid worden.
Als de benzinecap verdwijnt, moet daar een helder en eerlijk beleid tegenover staan. Niet alleen de vraag wat kost benzine? moet worden beantwoord, maar vooral de vraag: wat kost het de samenleving als de overheid geen structurele keuzes maakt?
D. Karamat-Ali
Dit artikel betreft een ingezonden opiniestuk. Voor de publicatie van ingezonden artikelen hanteren wij specifieke voorwaarden. Voor meer informatie of om zelf een ingezonden bericht te sturen, kunt u contact opnemen via [email protected] of direct via WhatsApp.
Let op: Publicatie van opiniestukken houdt niet in dat GFC Nieuws het eens is met de inhoud







