De Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB) maakt zich ernstige zorgen over twee voorstellen die de mogelijkheden om beslag te leggen op gelden en goederen van de Staat aanzienlijk kunnen beperken.
Volgens de VSB is bescherming van essentiële overheidsdiensten gerechtvaardigd, maar mogen maatregelen daartoe niet leiden tot een situatie waarin burgers en ondernemingen een rechterlijke uitspraak tegen de Staat niet langer effectief kunnen uitvoeren.
Het gaat om het op 26 juni 2026 ingediende initiatiefvoorstel Wet Opheffing Derdenbeslagen Gelden en Geldvorderingen Openbare Dienst en een circulerende ontwerptekst tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Bescherming openbare dienst mag geen vrijbrief worden
De VSB erkent dat beslaglegging op overheidsgelden niet zodanig mag plaatsvinden dat essentiële voorzieningen zoals gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid worden ontwricht.
Volgens de werkgeversorganisatie moet echter worden voorkomen dat dit uitgangspunt uitmondt in een vrijwel algemene bescherming van staatsvermogen tegen beslag.
Een dergelijke regeling kan volgens de VSB verstrekkende gevolgen hebben voor de rechtszekerheid, de afdwingbaarheid van rechterlijke uitspraken en het vertrouwen in de Staat als contractspartij. Ook het investerings- en ondernemingsklimaat kan hierdoor worden geraakt.
Twee voorstellen met grote gevolgen voor schuldeisers
Het initiatiefvoorstel van 26 juni 2026 richt zich op het opheffen van derdenbeslagen op banktegoeden en andere in geld uit te drukken vorderingsrechten van de Staat.
Daaronder vallen onder meer dividenden en royalty’s die aan de Staat toekomen. Banken en andere derden zouden de beslagen middelen na inwerkingtreding van de wet onmiddellijk aan de Staat ter beschikking moeten stellen.
De tweede, circulerende ontwerptekst gaat volgens de VSB nog aanzienlijk verder. Daarin worden onder meer gelden en waardepapieren bij de Centrale Bank van Suriname, belastinginkomsten, bepaalde fiscale vorderingen, door leningen verkregen staatsmiddelen, staatsaandelen en royalty-inkomsten uit de mijnbouwsector onder een beslagverbod gebracht.
Ook bepaalde roerende en onroerende staatsgoederen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het overheidsapparaat zouden niet langer vatbaar zijn voor beslag.
Volgens de VSB hebben beide voorstellen daarmee een gemeenschappelijk effect: reeds gelegde beslagen op bepaalde staatsmiddelen kunnen collectief worden opgeheven, terwijl de ruimere ontwerptekst bovendien de toekomstige verhaalsmogelijkheden van schuldeisers sterk beperkt.
Oude beslagen niet zonder meer gelijkstellen aan actuele vorderingen
In de toelichtingen bij de voorstellen wordt verwezen naar meer dan tweehonderd niet-opgeheven beslagen met een geschatte waarde van ruim SRD 500 miljoen.
Een deel daarvan zou al tientallen jaren geregistreerd staan en sommige beslagleggers of gemachtigden zouden niet meer traceerbaar zijn.
De VSB vindt dat dergelijke administratieve problemen moeten worden aangepakt, maar waarschuwt tegen een algemene wettelijke oplossing die geen onderscheid maakt tussen oude en actuele zaken.
Volgens de organisatie moet onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld administratief uitgewerkte beslagen, lopende procedures, executoriale beslagen op basis van rechterlijke uitspraken en vorderingen van schuldeisers die nog aantoonbaar bestaan.
Een gebrekkige overheidsadministratie mag volgens de VSB niet tot gevolg hebben dat ook actieve en traceerbare schuldeisers hun rechtspositie verliezen.
Een gewonnen rechtszaak mag geen papieren overwinning worden
De kern van de kritiek van de VSB is dat effectieve rechtsbescherming niet eindigt bij het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak.
Een burger of onderneming die na een langdurige procedure gelijk krijgt van de rechter, moet volgens de organisatie ook een reële mogelijkheid hebben om die uitspraak daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.
Wanneer de Staat vervolgens vrijwel immuun wordt voor executiemaatregelen, dreigt een rechterlijk vonnis volgens de VSB te verworden tot een papieren overwinning.
Een beslagverbod kan volgens de organisatie gerechtvaardigd zijn wanneer het specifiek is afgebakend en noodzakelijk is voor de bescherming van essentiële overheidstaken. Een vrijwel algemene immuniteit voor staatsgelden, inkomsten en vermogensbestanddelen gaat volgens de VSB echter veel verder.
De organisatie wijst daarbij op de beginselen van rechtszekerheid, effectieve rechtsbescherming, evenredigheid en het respecteren van rechterlijke beslissingen.
Onduidelijkheid over vijfjaarstermijn
De VSB plaatst daarnaast vraagtekens bij de formulering van een voorgesteld artikel 436c. Daarin wordt bepaald dat bepaalde reeds gelegde beslagen van rechtswege nietig kunnen worden wanneer gedurende een periode van maximaal vijf jaar geen rechtsmiddelen voor de executie zijn aangewend.
Volgens de VSB roept deze formulering belangrijke juridische vragen op. Zo is niet duidelijk wanneer de termijn precies begint, welke handelingen als executiemaatregelen gelden en wie vaststelt dat een beslag daadwerkelijk nietig is geworden.
Ook is volgens de organisatie onvoldoende duidelijk welke rechtsbescherming belanghebbenden hebben wanneer een beslag ten onrechte als vervallen wordt beschouwd.
Juist wanneer wetgeving bestaande vermogensrechten en executieposities kan aantasten, moet volgens de VSB sprake zijn van duidelijke, voorzienbare en nauwkeurig geformuleerde regels.
Betrouwbaarheid van de Staat als contractspartner
De discussie raakt volgens de VSB niet alleen het recht, maar ook de economie. De Staat is zelf een belangrijke deelnemer aan het economisch verkeer en sluit dagelijks contracten met ondernemingen voor goederen en diensten.
Daarbij verwacht de overheid terecht dat bedrijven hun eigen verplichtingen nakomen. Volgens de VSB moeten ondernemingen er echter ook op kunnen vertrouwen dat de overheid haar contractuele en rechterlijk vastgestelde betalingsverplichtingen nakomt.
De organisatie zegt signalen te ontvangen van ondernemingen die langdurig wachten op betalingen van de overheid. Dergelijke achterstanden kunnen volgens de VSB leiden tot liquiditeitsproblemen, verlies van werkgelegenheid en zelfs bedrijfsbeëindiging.
VSB wil brede consultatie
De VSB roept de initiatiefnemers, regering en De Nationale Assemblée daarom op om de voorstellen niet in hun huidige vorm aan te nemen.
Eerst moet volgens de organisatie duidelijkheid komen over de officiële status en onderlinge verhouding van de verschillende ontwerpteksten.
Daarnaast pleit de VSB voor brede consultatie van onder meer de rechterlijke macht, advocatuur, deurwaarders, financiële instellingen, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
De bescherming van essentiële staatsmiddelen mag volgens de VSB niet leiden tot een situatie waarin de Staat feitelijk wordt vrijgesteld van het nakomen van contractuele verplichtingen of rechterlijke uitspraken.
Staat moet zelf vertrouwen in de rechtsorde waarborgen
Volgens de VSB is betrouwbaar bestuur onlosmakelijk verbonden met het tijdig en transparant nakomen van verplichtingen.
Een overheid die van burgers en bedrijven verwacht dat zij de wet naleven, moet volgens de werkgeversorganisatie zelf eveneens volledig gebonden blijven aan de rechtsorde.
De centrale vraag moet daarom niet alleen zijn hoe staatsmiddelen tegen beslag kunnen worden beschermd, maar ook hoe wordt gegarandeerd dat burgers en ondernemingen hun recht daadwerkelijk kunnen halen wanneer de Staat zijn verplichtingen niet nakomt.






