Pinokkio in de media: het nieuws dat u leest komt soms uit iemand’s duim

Ooit gehoord van oorlogsfotograaf Eduardo Martins? Dat kans dat u zijn naam kent is niet groot, maar het is heel goed mogelijk dat u weleens zijn foto’s ergens heeft gezien: bij Al Jazeera, de BBC of Deutsche Welle, misschien zelfs bij prestigieuze media als de Wall Street Journal of Getty Images.

Het werk van Eduardo Martins wordt gekenmerkt door één belangrijke eigenschap: het is allemaal nep. Zelfs zijn profielfoto op Instagram was bogus.

Martins, de naam is zeer waarschijnlijk eveneens fake, stal foto’s van andere fotografen. Die bewerkte hij, bijvoorbeeld door ze in spiegelbeeld te zetten. Vervolgens verkocht hij ze  voor veel geld aan diverse media.

Toen online vrienden hem waarschuwden dat steeds meer mensen vraagtekens zetten bij “zijn werk”, dook hij onder en er is sindsdien geen spoor van hem.

Martins is niet de eerste en zeker niet de enige journalistieke Pinokkio.

Janet Lesley Cooke schreef in 1980 een verhaal over een achtjarig jongetje dat verslaafd was aan cocaïne.

Het jongetje met het “zandkleurige haar, fluweelachtige bruine ogen en littekens van naalden als sproetjes op de baby-gladde huid van zijn magere bruine armpjes” bestaat echter niet en Cooke moest de Pulitzer Prize die zij met haar sprookje won, teruggeven. 

Stephen Glass loog minstens 27 van de 41 artikelen die hij voor The New Republic en Rolling Stone schreef bij elkaar. NBC-presentator Brian Williams bleek te hebben gelogen over de neergeschoten legerhelikopter waar hij in zat tijdens de oorlog in Irak.

Jayson Blair, die verhalen schreef over plaatsen waar hij geweest was, moest weg bij de New York Times toen bleek dat hij nooit zelfs maar in de buurt van al die plekken geweest was. 

De drie CNN-journalisten die in juni hun baan opgaven omdat zij zich hadden bediend van twijfelachtig bronmateriaal, steken maar schril af bij deze fantasten.

Overige berichten