“Na de maanden die het jaar afsluiten beginnen andere die gehoor zullen geven aan de roep om iets nieuws”

GFC NIEUWS- Dit is de derde strofe van een gedicht van een van Suriname’s grootste dichters: Trefossa.
Hij schreef het in het Sranantongo en het werd gevonden in zijn nalatenschap, op een kladblaadje, ongedateerd. Het werd na zijn overlijden gepubliceerd, in 1977, onder de titel Srefidensie – ‘Zelfstandigheid’.
Trefossa, die in 1975 overleed, heeft het dus geschreven nog voordat Suriname onafhankelijk werd, misschien kort daarvoor, misschien jaren eerder. Ik werd erdoor getroffen en heb het doen afdrukken aan het begin van het boek dat ik dit jaar publiceerde onder de titel Suriname. Van wingewest tot natiestaat.
In zijn gedicht voorziet Trefossa de komende onafhankelijkheid van zijn land. Althans, zo lees ik het. Hij lijkt er verlangend naar uit te zien, omdat de zelfstandigheid een eind kan maken aan de machten die het volk eeuwenlang hebben voortgedreven. Maar de toekomst is onzeker: “Wat voor winst zal er zijn aan het eind?” luidt een van andere strofen. De dichter waarschuwt: de onafhankelijkheid is zwanger van onheil. Een nieuwe maatschappij kan barsten vertonen en de toekomst rood kleuren. Vandaar de oproep: “Volk, lik de honing van de leugen niet waar uw chromosomen vol van zitten. Reinig u zelf. Reinig u, voordat een nieuwe heilige eed uw lippen verlaat”.
Er komt altijd iets nieuws, schrijft Trefossa. Maar hij drukt ons op het hart: dat nieuwe is nooit vanzelfsprekend goed, schoon of zuiver. De toekomst kan rood kleuren, bloedrood. De leugens van het verleden zijn niet bij voorbaat weggewist. We zullen die moeten afzweren, ons van dat verleden moeten reinigen, want anders zijn de beloften die we elkaar doen niet heilig, maar hol.
Ik las het gedicht vele malen en begreep plotseling: dit gaat niet alleen over Suriname, maar ook over mijn eigen land. Ook in Nederland gaven we gehoor aan de roep om iets nieuws, bijvoorbeeld toen de slavernij werd afgeschaft en later opnieuw, toen we afstand moesten doen van onze macht als koloniale overheerser van het volk van Indonesië, en weer later, toen Suriname als onafhankelijke staat was uitgetreden uit het Koninkrijk der Nederlanden. Maar we begonnen niet vanzelfsprekend met een schone lei.
De leugens van het verleden als koloniale mogendheid waren niet een twee drie afgezworen. Neokoloniale arrogantie, discriminatie en institutioneel racisme zitten in de chromosomen van de Nederlandse samenleving. We kunnen niet volstaan met eenmalige beslissingen, zoals een handtekening zetten onder een wet waarmee de slavernij wordt afgeschaft of waarmee de zelfstandigheid van een voormalige kolonie wordt erkend. De lei moet telkens opnieuw worden schoon gewist. Zonder zelfreiniging worden onze beloften hol.
Zonder reiniging geen vernieuwing, aldus dit gedicht. Die boodschap richtte Trefossa niet alleen aan zijn eigen volk, maar ook aan Nederland. Onafhankelijkheid verwerven of verlenen is niet het zetten van een punt achter het verleden en het beginnen met een nieuw hoofdstuk in het boek van de geschiedenis. Het is een puntkomma in één en dezelfde zin in een doorlopend verhaal. Dat maakt onafhankelijkheid tot meer dan een formaliteit, meer dan een juridische formule, veel meer dan het afkondigen en erkennen van een nieuwe staat, los van de kolonisator van destijds.
Zelfstandigheid bereiken betekent ook het herstellen van wat kapot was gemaakt, een nieuwe relatie aangaan op basis van gelijkwaardigheid, een staat omvormen tot een natie, een economie verduurzamen, een samenleving creëren waarin alle mensen tot hun recht komen, ongeacht hun afkomst of achtergrond. Zelfstandigheid bereiken betekent verzelfstandigen en dat is een werkwoord, een proces van lange duur.
Van wingewest tot natiestaat
Een deel van dat proces heb ik in mijn boek over Suriname proberen te beschrijven: van wingewest tot natiestaat. Zo’n proces gaat gepaard met vallen en opstaan, met conflicten die moeten worden opgelost, met nu eens verwijdering en dan weer toenadering, met wederzijdse verwijten, met erkenning van schuld en verantwoordelijkheid, kortom met – aldus het gedicht – iedere keer weer proberen gehoor te geven aan de roep om iets nieuws.
Hoe hebben we het ervan afgebracht? Heeft Suriname zich ontwikkeld tot een geïntegreerde en duurzame natiestaat, waarin de rechten van alle bevolkingsgroepen worden gerespecteerd? Heeft Nederland echt afstand genomen van haar koloniale verleden, zijn verantwoordelijkheid genomen en bijgedragen tot herstel en vernieuwing? Zijn Suriname en
Nederland samen bereid geweest een nieuwe weg in te slaan en nieuwe verhoudingen te creëren? In de slothoofdstukken van mijn boek heb ik getracht daarover rekenschap af te leggen. Een paar conclusies wil ik hier herhalen.
Suriname is van ver moeten komen. Het land begon als een koloniale constructie zonder eigen identiteit, een wingewest dat door kolonisten afkomstig uit een ander deel van de wereld werd bezet, ontgonnen en geplunderd. Zij voerden er hun oorlogen met rivaliserende mogendheden, die net als de Nederlanden vanuit Europa andere continenten waren gaan koloniseren. Zij verdeelden samen met hen het territoir, bepaalden waar de grenzen lagen die het land afscheidden van andere wingewesten en decimeerden de inheemse bevolkingsgroepen.
Zij organiseerden een wreed internationaal systeem van roof, transport en handel in tot slaaf gemaakte mensen afkomstig uit Afrika, bevolkten op deze wijze Suriname met Afrikanen en hun nakomelingen, die zij beschouwden als hun eigendom en als rechteloze handelswaar, onderdrukten hen met grof geweld en joegen op vluchtelingen – de marrons die een nieuw en vrij bestaan zochten in de Surinaamse bossen.
Toen twee eeuwen later aan die slavernij een einde kwam, bevolkte het koloniale regime het land opnieuw van buitenaf, door in Brits Indië Hindoestaanse contractarbeiders te ronselen, en later Javaanse arbeiders uit onze andere kolonie in wat toen nog heette Nederlands Oost Indië. Zij werden tot slachtoffer gemaakt van uitbuiting door kapitalistische ondernemers die Suriname bleven zien als een wingewest.
Ook gedurende de eeuw die daarop volgde bleef de macht in handen van het Nederlandse bestuur en Nederlandse ondernemers. De economische structuur van Suriname bleef geënt op koloniale exploitatie: afroming van het potentieel economisch surplus op basis van grondstoffen die er werden gewonnen, eenzijdige afhankelijkheid van Nederland voor export, import en investeringen, niet gericht op diversificatie of innovatie, maar op bestendiging van de status quo. Ook de culturele oriëntatie – taal, onderwijs, media en personenverkeer – was louter op Nederland afgestemd.
Hoe wordt zo’n wingewest een onafhankelijke natiestaat, annex duurzame economie, met een eigen identiteit? Dat is een moeilijke opgave, wanneer nagenoeg alle bevolkingsgroepen hun historische wortels hebben in het buitenland en de koloniale machthebbers niets hebben gedaan om onderlinge integratie van die groepen te bevorderen. Vanaf het begin van de kolonisering tot het moment van de onafhankelijkheid bleef Suriname een samenraapsel van volken en rassen, met verschillende kleur, etnische achtergrond, taal, geloof en traditie, opeen gedreven door heersers die zelf ook van elders kwamen. De bevolking was een mengelmoes, het land geen smeltkroes, de natie geen resultaat van autonome sociale en economische processen waarin mensen hun eigen weg zochten, maar een van buitenaf opgelegde kunstmatige constructie. Binnen die constructie waren voormalig tot slaaf gemaakte mensen en nieuwe door nood gedreven immigranten gedwongen met elkaar te leven, allen in den vreemde.
‘Met elkaar’ betekende doorgaans: langs elkaar heen en ook langs de oorspronkelijke inheemse bevolking. Allen waren door uit het buitenland afkomstige machthebbers onderdrukt. In de negentiende eeuw was die onderdrukking geleidelijk verzacht, maar een algehele bevrijding uit onderschikking en armoede had op zich laten wachten. Met de afschaffing van de slavernij was daar geen eind aan gekomen.
Schuld en verantwoordelijkheid
Ik vrees dat weinigen in Nederland zich er vandaag den dag bewust van zijn dat onze geschiedenis er ook een is van uitbuiting, raciale onderdrukking en discriminatie. In het door witte Nederlanders geëntameerde debat over de Nederlandse identiteit klinkt zelden het besef door dat de onder Nederlandse verantwoordelijkheid geschapen koloniale verhoudingen gedoemd zijn door te werken, dat Nederland ook na de afschaffing van de slavernij van de voortdurende machtsongelijkheid was blijven profiteren en dat het afgeroomde koloniale profijt mede de basis heeft gelegd onder de welvaart in ons land.
Dat was anders in de jaren zestig en zeventig. Politiek links was meer dan nu georiënteerd op het buitenland – Vietnam, Indonesië, de bevrijdingsbewegingen in Afrika, de dekolonisatie wereldwijd – en op de geschiedenis. Dat gold niet alleen voor de protestgeneratie van jongeren, maar ook voor kerken, universiteiten en de vakbeweging. Het gold ook voor het kabinet Den Uyl.
Ik maakte deel uit van dat kabinet. Ik weet hoezeer wij ons bewust waren van de koloniale schuld juist ten opzichte van Suriname. Ook al hadden we daar zelf niet aan meegedaan, toch voelden we ons verantwoordelijk, omdat we in de voetstappen traden van onze voorgangers en omdat de Nederlandse economie – en dus ook de Nederlandse bevolking – zeer lange tijd lang had geprofiteerd van de koloniale verhoudingen, zowel met Nederlands-Indië als met Suriname en de Antillen. Het viel niet meer terug te draaien, maar we konden wel een deel van de schuld inlossen, helpen de gevolgen van koloniale uitbuiting te verzachten, gemaakte fouten corrigeren, iets herstellen en compensatie aanbieden.
We schaamden ons zowel over de koloniale onderdrukking van onze toenmalige wingewesten in Azië, Afrika, Zuid-Amerika en de Caraïben, als over de wijze waarop een eerdere generatie Nederlandse politici het proces van dekolonisatie was tegemoet getreden. We wilden dat proces met betrekking tot Suriname en de Antillen anders doen verlopen dan onze voorgangers hadden gedaan inzake Indonesië: niet met geweld, niet door het voeren van een verdeel- en heerspolitiek, niet door te discrimineren, niet door Nederlandse belangen voorop te stellen, niet door de indruk te wekken dat we beter waren en het beter wisten dan degenen die zich van ons wensten los te maken, niet door uit te dragen dat we onze cultuur superieur achtten, maar door uitdrukkelijk uit te gaan van gelijke rechten voor iedereen.
We hadden geen persoonlijk schuldgevoel, maar wel het besef van een collectieve schuld van een natie die zich ten koste van anderen had verrijkt en daarvan nog steeds de vruchten plukte. Dat schuldbesef betreft niet alleen de historie: ook wanneer men part noch deel heeft aan de het onrecht dat ooit aan anderen is toegedaan, maar geen verantwoordelijkheid neemt voor het herstel van de gevolgen van dat onrecht die zich vandaag de dag nog steeds voordoen, draagt men schuld. Het gaat niet alleen om het onrecht in economische zin, maar ook om de vernedering die mensen met een andere kleur in de wingewesten moesten ondergaan en die ook door latere generaties wordt gevoeld, omdat institutioneel racisme voortwoekert.
Over dat gevoel van schuld, schaamte en verantwoordelijkheid als een morele categorie en als uitgangspunt voor een andere ethische politiek wordt vaak schamper gedaan, maar ik geloof nog steeds dat dit enig juiste opstelling dient te zijn van een natie als Nederland, die zichzelf in de loop van de tijd bevoorrecht heeft ten koste van anderen.
Het zou de huidige generatie Nederlandse politici sieren wanneer dit het uitgangspunt zou worden van een politiek ten opzichte van de bevolking van zwakkere en armere landen van de toenmalige Derde Wereld, en vandaag den dag vooral de vluchtelingen die uit deze landen afkomstig zijn. Helaas gaat het in de huidige Nederlandse politiek minder om verantwoordelijkheid en solidariteit als wel om behartiging van eigen economische en veiligheidsbelangen, bevordering van de verdiencapaciteit van Nederlandse ondernemingen en het weren van migranten en vluchtelingen, niet zelden op barbaarse wijze.
In 1975 speelden niet alleen overwegingen van moraliteit een rol. We zochten een antwoord op de naoorlogse ontwikkelingen. De verhouding met Suriname kon nu eenmaal niet los gezien worden van de nieuwe verhoudingen in de wereld. De wereldwijde dekolonisatie was zo goed als afgerond. Bestendiging van staatkundige afhankelijkheidsverhoudingen werd gezien als een anachronisme.
Jarenlang had de Nederlandse diplomatie zich binnen de Verenigde Naties met juridische argumenten tegen kritiek van andere landen weten te verweren, maar in de jaren zeventig waren de verhoudingen op het wereldtoneel drastisch veranderd. Alles wees erop dat juridische redeneringen geen stand zouden houden tegenover politieke argumenten, te meer niet omdat Nederland zelf een voorvechter was van nieuwe internationale politieke en economische verhoudingen.
We dreigden in te boeten aan geloofwaardigheid. We moesten consequent zijn, juist omdat we ons in diezelfde jaren hadden ingezet voor bevrijdingsbewegingen, dekolonisatie, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten.
Het Statuut
Terwijl het in het Nederland van de jaren zeventig ging om een nieuwe politieke generatie die wilde afrekenen met het verleden, waren in Suriname steeds meer mensen opgestaan die van ons verlangden dat we daar ernst mee gingen maken. Dat opstaan was al begonnen in de jaren dertig, met Louis Doedel en Anton de Kom, waarna in de jaren veertig en vijftig andere leiders opstonden, onder wie Lachmon en Pengel. De nieuwe generatie was onderling nog steeds langs etnische lijnen verdeeld, maar had elkaar gevonden in een reeks van onderhandelingen met Nederland, die in 1954 uitmondden in een nieuw Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Toen ik in de jaren zestig op dat Statuut terugkeek was ik kritisch. Ik zag het als weliswaar een stap vooruit ten opzichte van de puur koloniale relatie van voor de Tweede Wereldoorlog, maar ook als een bevestiging van de afhankelijkheid die de Rijksdelen in de West altijd door Nederland was opgelegd. De stap was niet groot genoeg en leek verdere stappen voorwaarts te ontmoedigen. Ik vreesde dat het Statuut de verhoudingen bevroor en remmend zou werken op de weg naar de uiteindelijk onvermijdelijke dekolonisatie. Suriname leek door het Statuut slachtoffer te worden van de wet van de remmende voorsprong.
Later ben ik daar genuanceerder over gaan denken. Ik moest erkennen dat achtereenvolgende Nederlandse regeringen na 1954 de onafhankelijkheid van Suriname degelijker hadden voorbereid dan ik had verondersteld. Begin jaren zeventig, aan de vooravond van de onderhandelingen over onafhankelijkheid, kende Suriname een goed functionerende parlementaire democratie, met scheiding van machten, wettelijk vastgelegde vrijheden, verschillende politieke partijen, vrije verkiezingen en vreedzame periodieke wisseling van regeringen.
De rechtspraak was onafhankelijk, evenals politie en justitie, de pers vrij, de vakbeweging vrij en pluriform. De mensenrechten werden gerespecteerd. Er was weinig analfabetisme, de deelname aan het basisonderwijs was algemeen, de kwaliteit van het onderwijs redelijk en de publieke voorzieningen, vooral op het terrein van gezondheidszorg, drinkwater en energie, waren adequaat. In vergelijking met tal van andere ontwikkelingslanden was de praktijk in Suriname zo slecht nog niet. Kortom: Suriname was klaar om op eigen benen te staan.
De nieuwe generatie politici in Suriname had in de jaren vijftig en zestig hard gewerkt aan de opbouw van een natiestaat, weliswaar niet autonoom, maar wel bestendig. Bij het Statuut hadden Lachmon en Pengel een belangrijke rol gespeeld. Vooral Lachmon was bereid zijn nek uit te steken om de samenwerking tussen Hindoestaanse, Islamitische en Creoolse groeperingen zo hecht mogelijk te maken. Hij was geen machtspoliticus, maar een visionair.
Meer dan eens toonde hij zich bereid macht te delen en stappen opzij te zetten. Zijn verbroederingspolitiek was geen holle slogan, maar kreeg handen en voeten in het politieke bedrijf. Ik ben ervan overtuigd dat zonder de ervaringen die waren opgedaan tijdens de verbroederingspolitiek de spanningen in de jaren zeventig rond de roep om onafhankelijkheid verder zouden zijn geëscaleerd.
Zowel Arron als Lachmon gingen ver: Arron door zich aan de oppositie weinig gelegen te laten liggen en Lachmon door tot vlak voor het einde onverkort aan zijn eisen vast te houden. Maar geen van beiden ging tot het gaatje. Op 25 november 1975 zetten beiden opnieuw stappen terug.
In de vijf jaren die daarop volgden vond wederom verwijdering plaats – Arron hield zich niet aan zijn belofte vervroegde verkiezingen uit te spreken en Lachmon weigerde de Staten bijeen te roepen -, maar dat was meer een kwestie van kinderziekten van een onafhankelijke staat die zijn weg moet vinden, dan een mislukking op alle fronten.
Eigenlijk kan de hele periode vanaf het begin van de onderhandelingen over een nieuw Statuut, eind jaren veertig, tot aan 1975, toen de onafhankelijkheid een feit werd, beschouwd worden als een gezamenlijk program van voorbereiding van die onafhankelijkheid.
De grenzen van de voorbereiding van staatkundige onafhankelijkheid waren bereikt en die voorbereiding had vruchten afgeworpen. Daarmee doorgaan, zonder de stap naar staatkundige onafhankelijkheid zelf te zetten, had in een situatie van economische afhankelijkheid weinig zin. In economisch opzicht was Suriname te zeer van Nederland afhankelijk gebleven, maar daaraan een einde maken vereiste politieke autonomie, niet andersom.
Ik weet dat critici van de onafhankelijkheid nog steeds van mening zijn dat Suriname nooit onafhankelijk had mogen worden, dan wel dat die onafhankelijkheid te vroeg plaats heeft plaatsgevonden. Ooit zei Den Uyl tegen mij, toen we samen nog eens terugkeken op het hele proces en de nasleep daarvan: “Suriname werd eerder te laat dan te vroeg onafhankelijk”. Dat was ook mijn mening. De onafhankelijkheid was na 1950 beter voorbereid dan ik dacht, maar de jaren van slavernij, kolonisatie en postkoloniale afhankelijkheid daarna hadden te lang geduurd, samen twee honderd jaar. Zij hadden diepe sporen getrokken. Ik vond en vind: in 1975 was het hoog tijd het proces te voltooien.
Etnische confrontaties
Lachmon was het niet met ons eens. Hij vond dat Nederland onvoldoende met zijn eisen had rekening gehouden. Hij vreesde etnische confrontaties. Die vrees klonk ook door in Nederland. Wij grepen terug op de bepalingen van het Statuut waaronder Lachmon zelf zijn handtekening had gezet – overigens nadat Nederland de wens van Suriname om de mogelijkheid van eenzijdige secessie in het Statuut op te nemen had verworpen.
Afgesproken was dat het ieder Rijksdeel in een volgend stadium vrijstond opnieuw te pleiten voor een verandering van de Koninkrijksverhoudingen, maar aan het eventueel uittreden werden geen voorwaarden verbonden, ook niet die van een referendum of een twee-derde meerderheid.
Lachmon heeft dat later alsnog bepleit, maar wij vonden dat we achteraf geen voorwaarden mochten opleggen. Als we dat wel zouden doen zou dat als koloniaal optreden worden gebrandmerkt. In plaats daarvan creëerden we drie voorzieningen. Iedere inwoner van Suriname die het niet eens was met de onafhankelijkheid was als Nederlands staatsburger welkom in Nederland en alle Surinamers en Surinaamse Nederlanders kregen na de onafhankelijkheid nog vijf jaar tijd van nationaliteit te veranderen.
Mede op aandringen van Nederland kwam in Suriname nog voor de datum van onafhankelijkheid een Grondwet tot stand, die de rechten van alle Surinamers zou waarborgen. En we stipuleerden dat de ontwikkelingshulp aan alle Surinamers ten goede zou komen, niet alleen de achterban van het merendeels Creoolse regime, ook Hindoestanen, Javanen, Marrons en inheemsen, en onder al diegenen vooral de armere bevolkingsgroepen.
Voor die laatste voorziening heb ik mij sterk gemaakt, maar we ondervonden problemen bij de uitvoering. Die was uiteraard in handen van de regering van het onafhankelijke Suriname en deze toonde zich op zijn zachtst gezegd laks. We hadden harder op de tafel kunnen en moeten slaan. Dat zou ons ongetwijfeld op het verwijt komen te staan koloniaal op te treden, maar dat hadden we voor lief kunnen nemen. Daarentegen werkte de nationaliteiten- annex immigratievoorziening uit zoals bedoeld. Weliswaar leidde die tot een brain drain, maar die zou wegebben en hoe dan ook de spanning wegnemen die tot een gewelddadig conflict had kunnen leiden.
De derde voorziening, de grondwet, was meer dan een juridische faciliteit: personen en groepen die hun rechten aangetast zagen konden er een beroep op doen. De rechtsstaat in Suriname was onafhankelijk en sterk genoeg om de grondwetsbepalingen te garanderen. Maar dat gold natuurlijk slechts tot op het moment dat de grondwet door een staatsgreep terzijde werd geschoven.
Met die laatste mogelijkheid moesten we rekening houden. Bijna alle nieuwe onafhankelijk geworden staten in Afrika hadden vroeg of laat te maken gekregen met een militaire staatsgreep. Daarom hadden we ervoor gepleit dat het onafhankelijke Suriname geen eigen leger zou vormen. Maar Suriname had natuurlijk het recht om daar toch toe over te gaan en de oppositie ging daarin mee.
Lachmon bepleitte alleen dat de etnische samenstelling van een Surinaams leger evenwichtig zou zijn, maar die toezegging kreeg hij niet: in de nieuwe natie zou juist geen etnisch onderscheid gemaakt mogen worden, werd hem door NPS politici te verstaan gegeven. Daar zat wat in.
Om de vorming van een leger rimpelloos te doen verlopen zegde mijn collega van Defensie, Vredeling, financiële sen technische steun toe. Hoe goed bedoeld ook, dat had niet mogen gebeuren. Mijn vrees werd bewaarheid: vijf jaar later grepen legerofficieren de macht.
Scenario’s
De coup lag niet onvermijdelijk besloten in het proces van natievorming na onafhankelijkheid. Onafhankelijkheid vormt altijd een breuk met het verleden. Het spreekt niet vanzelf dat een functionerende democratische rechtsstaat na onafhankelijkheid overeind blijft. In theorie kon men alle kanten op, getuige de ervaringen van andere, enigszins vergelijkbare landen in de Caraïbische en Latijns-Amerikaanse regio. In mijn boek Suriname. Van wingewest tot natiestaat heb ik een aantal van die scenario’s de revue laten passeren.
Op Cuba was een vicieuze cirkel van armoede en ongelijke machtsverhoudingen doorbroken toen revolutionairen de macht hadden gegrepen. Dat had geresulteerd in een communistische dictatuur. Het nieuwe regime kon zich op armoedebestrijding concentreren zonder zich om politieke tegenstand te bekommeren. Maar dat had een nieuwe vicieuze cirkel doen ontstaan, ditmaal tussen politieke machtsconcentratie, geen vrijheid van meningsuiting en schending van mensenrechten.
Wie daar niet voor wenste te kiezen had een andere uitweg: vasthouden aan de rechtsorde binnen een democratisch systeem, zoals in Jamaica, in combinatie met zeer veel hulp van buitenaf ten behoeve van vooral de armste bevolkingsgroepen. Jamaica had geprobeerd een sociaal georiënteerd economisch beleid op te zetten, maar de ongelijkheid was al bij de start te groot en de hulp van buitenaf te gering, onvoldoende om het tij te keren, zodat het proces uitmondde in democratisch doormodderen.
Naast deze scenario’s waren er andere: een rechtse staatsgreep om de belangen van het kapitaal veilig te stellen (zoals tegen Allende in Chili in 1973); een niet door ideologie gedreven militaire coup, waarmee een op macht beluste groep zich in het zadel hees en hield (zoals Stroessner in Paraguay in 1954), gewelddadige etnische conflicten zoals in Guyana, of een volledige burgeroorlog op etnische basis, direct na de onafhankelijkheid (zoals in Soedan in 1956). Tal van ontwikkelingslanden werden door een van deze scenario’s geteisterd, of zelfs door meer dan één tegelijk. Dat overkwam Guatemala.
President Guzman, die een ingrijpende landhervorming ten gunste van kleine boeren was gestart, werd in 1954 ten val gebracht. Daarna ontwikkelde zich een jarenlange burgeroorlog tussen het leger en de Indiaanse bevolking, met talloze slachtoffers. Ook militaire interventie door de Verenigde Staten, wanneer die de politieke ontwikkelingen in de eigen invloedssfeer op het continent niet zinde, zoals in de jaren tachtig onder de regimes van Ortega in Nicaragua en Coard in Grenada, was een mogelijk scenario.
In Suriname had zich in de eerste vijf jaar na de onafhankelijkheid geen van deze scenario’s voorgedaan. Geen intern gevecht om de macht dat wel moest resulteren in een coup, louter met het doel de macht te grijpen, zonder ideologie. Geen burgeroorlog op etnische basis, of vanwege sociaaleconomische tegenstellingen. Geen linkse dictatuur na een revolutie; geen rechtse staatsgreep om het grootkapitaal veilig te stellen; geen militair ingrijpen van buitenaf.
Omdat Suriname een democratische rechtsstaat was en redelijk stabiel was gebleven, had het land zich aan al deze scenario’s weten te onttrekken. Maar geen enkel scenario bleef voor altijd uitgesloten en degenen die na 1975 verantwoordelijk waren geworden voor het reilen en zeilen in Suriname moesten waakzaam zijn en zich niet blindstaren op de verworven autonomie. Het ging erom hoe de verworvenheden zouden worden gebruikt en vooral of de leiders van Suriname zouden willen kiezen voor armoedebestrijding als eerste prioriteit.
Helaas werd die keus niet gemaakt. Suriname had veel hulp ontvangen, zoveel dat de regering Aron het niet zo nodig vond zich ook zelf in te spannen. De hoge verwachtingen die men van de hulp had konden natuurlijk niet één, twee, drie worden gerealiseerd. Dat leidde tot teleurstelling, voedde de tendens het land dan toch maar te verlaten en bracht ontevredenheid alom. Ook in Suriname verwerd de politiek tot democratisch doormodderen: inertie, cliëntisme en corruptie. Het ontwikkelingsproces raakte verlamd en de inspiratie verdampt.
Het ging verre van goed, maar dat kon veranderen, want er kwamen nieuwe verkiezingen aan en die boden kansen aan een nieuwe generatie. Doch nog voordat die democratische weg kon worden ingeslagen, pleegden ontevreden onderofficieren een coup. Daar lag geen van de diepere structurele problemen aan ten grondslag die in de andere scenario’s een rol hebben gespeeld. Het was geen onvermijdelijk gevolg van een diepe economische crisis, geen revolutie, geen uitbarsting van etnische tegenstellingen. Het was een incident, met catastrofale gevolgen. Het werd veroorzaakt door twee personen: Bouterse en Valk. Zonder Valk geen Bouterse, zonder Bouterse geen 8 decembermoorden.
Ondertussen in Nederland: onverschilligheid en verloochening
We moeten erkennen: Nederland heeft een kwalijke rol gespeeld. De benoeming van Valk als militaire attache in Paramaribo was een grote fout. Valk was een loose cannon en ging ongecontroleerd zijn gang. Of werd hij toch aangestuurd vanuit Den Haag en zat er meer achter?
Het onderzoeksrapport dat de Kamer daarover in 1984 werd aangeboden bevatte enkele geheime bijlagen. Toen de wettelijke geheimhoudingstermijn was verlopen besliste het kabinet Rutte dat deze termijn tot 2060 zou moeten worden verlengd. In de Tweede Kamer werd geen meerderheid gevonden om die beslissing ongedaan te maken.
Aanvankelijk werd alleen verwezen naar privacyoverwegingen. Wiens privacy dat zou kunnen zijn – de coupplegers, anonieme getuigen of mogelijk bij de coup betrokkenen in Nederland – bleef in het duister. Het lot van de slachtoffers van 1980 en van de moorden in december 1982 woog kennelijk niet zwaar genoeg om volledige openbaarheid na te streven. De belangen van hun verwanten en nabestaanden evenmin. Dat is wrang: in 2060 zal iedereen die in het jaar 1980 volwassen was de leeftijd van bijna honderd jaar hebben bereikt of reeds gestorven zijn. Als privacy echt zo’n overwegend motief voor geheimhouding is, moet het wel om zeer uitzonderlijke documenten gaan waarvan openbaarmaking voorafgaand aan 2060 groot gevaar voor betrokkenen of hun familie zou opleveren.
Dat klinkt onwaarschijnlijk. Speelt iets anders? In de Staatscourant is meegedeeld dat de beslissing om de bijlagen te rubriceren en te behandelen als “Streng Geheim” niet is genomen op grond van overwegingen betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer maar in “in verband met het belang van de Staat en zijn bondgenoten”. De telkens herhaalde uitspraak van de Nederlandse regering “we hebben niets te verbergen” is in het licht van deze motivering volstrekt ongeloofwaardig.
De verdenking dat Nederland destijds toch bij de coup betrokken is geweest kan alleen maar worden weerlegd door de documenten openbaar te maken. Zolang het Nederlandse parlement en de Nederlandse regering daar niet toe overgaan blijft de verdenking bestaan. Daarmee laden zij een zware verantwoordelijkheid op zich: de waarheidsvinding wordt belemmerd. Dat is in niemands belang.
Misschien is het geen kwade wil, maar onverschilligheid, vergelijkbaar met destijds de onverschillige reacties in Nederland op de coup. “Het was daar toch een zootje”, werd gezegd, ”Geen wonder dat er een staatsgreep is gepleegd”. Dat was een vorm van goed praten Nederlandse politici onwaardig. Suriname kende inderdaad problemen, van eigen maaksel, maar die wettigden geenszins het plegen van een staatsgreep.
De toenmalige Nederlandse regering toonde zich onverschillig over het lot van de gevangen-gezette Arron en ging snel over tot erkenning van de regering van Chin A Sen die door de coupplegers in het zadel was gehesen en lange tijd als een pion van Bouterse fungeerde.
Arron heeft in de gevangenis nooit iets uit Den Haag gehoord. Hij heeft zich daarover terecht erg bitter getoond. Tussen hem en opeenvolgende Nederlandse regeringen is het niet meer goed gekomen. Ook bij zijn opvolger, President Venetiaan, heb ik altijd het gevoel gehad dat de NPS zich door Nederland verraden voelde.
De beslissing van het kabinet Van Agt om Chin A Sen een uitzonderlijk groot bedrag aan financiële hulp aan te bieden mocht inderdaad als verraad worden bestempeld, verloochening van de uitgangspunten van de overeenkomst die Nederland in 1975 met Suriname was aangegaan. De steun werd in Paramaribo gezien als een legitimatie van de coup en van het regime Bouterse. Als die steun niet was gegeven zou Bouterse minder vast in het zadel hebben gezeten. Dan was het in 1982 misschien niet uitgelopen op de moorden van 8 december.
De Nederlandse regering had dat al in 1980 kunnen en moeten voorzien. “Een nieuwe maatschappij kan barsten vertonen en de toekomst rood kleuren”, had Trefossa gedicht. In het Kamerdebat over de coup had ik als oppositiewoordvoerder voorspeld: “Van bloed komt bloed”. Den Uyl had mij in die opstelling gesteund. Het was bedoeld als een waarschuwing tegen onverschilligheid en een oproep aan de Nederlandse regering om op geen enkele manier, politiek noch economisch, steun te geven aan een regime dat met geweld aan de macht was gekomen en niet zou aarzelen nog meer geweld te gebruiken. Dat is helaas toch gebeurd en werkt door tot op de dag van vandaag.
Veerkracht
Maar “na de maanden die het jaar afsluiten beginnen andere die gehoor zullen geven aan de roep om iets nieuws”. Ook die voorspelling kwam uit, en dat is geheel te danken aan de echte democraten in Suriname zelf. De oproep kwam van de Associatie voor Democratie, een samenwerkingsverband van advocaten, artsen, journalisten, vrouwenorganisaties, kerken, geloofsgemeenschappen en het bedrijfsleven.
Samen schreven zij een brief die beschouwd mag worden als het belangrijkste document betreffende het wezen van de democratische staat Suriname dat ooit is opgesteld. De opstellers, waaronder Kenneth Gonçalves, hebben het met de dood moeten bekopen. In één klap werd Suriname beroofd van een generatie jonge mensen die de samenleving de weg wees naar de zelfreiniging die nodig was om een nieuwe heilige eed geloofwaardig te doen zijn.
Maar de oproep zelf verstomde niet. Geleidelijk keerde het tij. Nu namen politici van de oudere generatie het voortouw. Met name Lachmon past bewondering voor de manier waarop hij te werk is gegaan. Hij had altijd een accommoderende stijl van politiek bedrijven gehanteerd en er meerdere malen vanaf gezien de eerste viool te spelen, ook als hem dat als leider van de grootste politieke groepering toekwam.
Hij oefende zijn invloed liever uit vanuit het parlement. Toen hem in 1980 als Statenvoorzitter de bevoegdheden uit handen waren geslagen, koos hij voor een opstelling als, in zijn eigen karakteristieke bewoordingen, “buigende riethalm”: niet overgeven, wel meegeven, maar niet opgeven. In 1985, toen de riethalm zich weer kon oprichten, was het Lachmon die het initiatief nam met de andere oude politieke leiders, inclusief zijn voormalige tegenstander Arron, één front te vormen: hèt Front. De ideeën kwamen van hem.
Hij was degene die het initiatief nam tot een dialoog met de politici die door de militairen waren neergezet en zich niet van het 8 december bloedbad hadden gedistantieerd. Dat moet zowel Arron als hemzelf veel moeite hebben gekost, maar het was de enige weg die openstond. Een jaar later resulteerde dit in een nieuwe grondwet, verkiezingen en een burgerregering. Het was knap laveren, omzichtig, stap voor stap. De achterban wilde meer, maar Bouterse cum suis mochten niet te veel worden uitgedaagd: zij konden altijd weer terugkomen en Bouterse schrok er niet voor terug daarmee te dreigen.
En toen Bouterse op Kerstavond de daad bij het woord voegde en het leger president Shankar de wacht aanzegde en aankondigde de macht te zullen overnemen, was het opnieuw Lachmon die zijn politieke vrienden ervan wist te overtuigen dat het beter was voorlopig mee te buigen, maar het parlement in te schakelen en op die manier een wettelijke basis te creëren voor een spoedig herstel van constitutionele verhoudingen.
De rest is bekend. Het politieke proces kreeg het karakter van een Echternach processie: drie stappen vooruit, twee achteruit en soms zelfs omgekeerd. Iedere keer moesten de democratische politieke leiders de economische en financiële puinhopen opruimen van aan Bouterse gelieerde regimes.
Dat was het geval na de verkiezingen van 1987, toen onder President Shankar de gevolgen ongedaan moesten worden gemaakt van het roekeloze financiële beleid van de regeringen Neyhorst, Alibux en Udenhout. Toen dat een beetje op orde was gebracht volgde de telefooncoup van 1990, waarmee een eind kwam aan het puinruimen. Een jaar later kon president Venetiaan van voren af aan beginnen. Hij was succesvol en wij hebben hem daarbij vanuit Nederland geholpen, zij het te weinig. Onder druk van de Tweede Kamer moest ik hardere aanpassingsvoorwaarden aan de steun opleggen dan gewenst.
Strenge voorwaarden waren in economisch opzicht verdedigbaar, maar politiek contraproductief, want het bescheiden economisch herstel dat onder Venetiaan werd bewerkstelligd was in de ogen van de bevolking in sociaal opzicht onvoldoende. De onvrede resulteerde in een nederlaag van het Front bij de verkiezingen van 1996. Minder strenge voorwaarden hadden in een andere verkiezingsuitslag kunnen resulteren, waarna het herstel had kunnen worden voortgezet. Maar nu kreeg de regering Wijdenbosch vrij spel om de begroting te plunderen en onverantwoord grote schulden aan te gaan.
Vier jaar later kon Venetiaan van voren af aan beginnen, toen de bevolking opnieuw gebruik had gemaakt van haar recht om de leiders bij verkiezingen ter verantwoording te roepen en Wijdenbosch naar huis had gestuurd. Tien jaar lang ging het onder president Venetiaan weer de goede kant op, maar gedurende de tien jaar die daar weer op volgden werd onder leiding van Bouterse zo’n onverantwoord beleid gevoerd, dat een faillissement dreigde.
Dit jaar heeft het electoraat van Suriname opnieuw gesproken en gekozen voor democratie, de rechtsstaat en sociaaleconomisch herstel. Het is de zoveelste keer dat Suriname zich á la Baron von Münchhausen aan de eigen haren uit het moeras trekt. Voor de vijfde keer op rij – na 1975, 1987, 1991 en 2000 – is een periode afgesloten en gehoor gegeven aan de roep om iets nieuws.
Het lijkt erop dat bij de jongste verkiezingen de kiezers hebben besloten te luisteren naar het appèl van Trefossa – “Volk, lik de honing van de leugen niet waar uw chromosomen vol van zitten” – en definitief te kiezen voor waarheid en recht.
Definitief? Ik hoop het van harte. Ik vrees dat Bouterse ergens in de coulissen trappelend staat te wachten op zijn kans om weer terug te komen. Veel zal afhangen van het leiderschap van president Santhoki. Zal hij in de ogen van de kiezers geloofwaardig blijven? Zijn voorganger heeft de democratie verkracht, maar hij kan door persoonlijke rechtschapenheid en politieke oprechtheid te tonen en door boven de partijen te staan, voorkomen dat het electoraat zich van hem afwendt.
Kan Nederland daarbij helpen? Ik hoop het. We zullen de fouten moeten vermijden die we in het verleden hebben gemaakt en waarover ik in het laatste deel van mijn boek getracht heb rekenschap af te leggen. We zullen Suriname moeten zien als een veerkrachtige autonome staat, anders dan minister Blok dacht, toen hij Suriname publiekelijk wegzette als een failed state en dat falen toeschreef aan etnische tegenstellingen.
We zullen bescheiden moeten zijn, want alle binnenlandse tegenstellingen in Suriname, inclusief de etnische, vloeien voort uit een door Nederland destijds opgelegde koloniale constructie. Arrogantie past Nederland niet: juist de door Blok gehekelde etnische tegenstellingen zijn door Suriname zelf overwonnen. Daar heeft Lachmon veel aan bijgedragen.
De VHP is nu een nationale vooruitstrevende hervormingspartij, door velen gesteund, niet alleen door mensen afkomstig uit religieuze en etnische groepen waarmee de oude VHP verbonden was. Vijfenveertig jaar na het bereiken van de status van onafhankelijke staat is Suriname, na een tragische terugval, weer een democratische rechtsstaat geworden.
Het land heeft zich ontwikkeld, van een – in de woorden van Albert Helman – “raciale segmentatie zonder eigen identiteit” tot een geïntegreerde natiestaat. Om die verworvenheden te verduurzamen en teleurstellingen te voorkomen, zal juist de jeugd van Suriname het vertrouwen moeten krijgen dat het land ook op weg is een stabiele, autonome en veerkrachtige economie te worden, waarin met kracht wordt gestreefd naar de uitbanning van armoede en sociale ongelijkheid.
Wellicht kan het in 1992 gesloten “Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking tussen Suriname en Nederland” daarbij goede diensten verlenen. Het bestrijkt een breed terreinen en betreft meer dan alleen samenwerking op het niveau van regeringen.
Ook lokale overheden en maatschappelijke organisaties en bedrijven kunnen een rol spelen. Dat geldt ook voor de Surinaamse diaspora in Nederland, die zich al vele jaren heeft ingespannen ten behoeve van verwanten overzee.
Het is uiteraard aan Suriname zelf om voorstellen te doen, maar als die in overeenstemming zijn met dat verdrag is men aan Nederlandse zijde verplicht daar serieus op in te gaan.
Aan beide zijden van de oceaan zullen politici en opinieleiders moeten beseffen dat hun bevolkingen nog vele jaren met elkaar verbonden zullen zijn. Dat is door de historie zo bepaald. Die verbondenheid is Nederland in de koloniale historie aangegaan.
In 1975 is deze verbondenheid zowel veranderd als herbevestigd, om door te werken tot op de dag van vandaag. Niet alleen voor de staatkundige en politieke verbondenheid, maar ook voor een blijvende culturele, sociale en economische verbondenheid heeft Lachmon zich als geen ander beijverd. Daarvoor mogen we hem dankbaar zijn.
Jan Pronk
Jagernath Lachmon lezing
VHP Nederland

Overige berichten