Suriname beschikt over kokosbomen, vruchtbare grond, kennis en een groeiende interesse in agrarische export, maar toch komt het grootschalig exporteren van kokosolie nauwelijks van de grond.
Terwijl de wereldwijde vraag naar kokosolie groot is, blijft Suriname op de internationale markt een kleine en nauwelijks zichtbare speler. Dat roept de vraag op waarom dit product internationaal niet echt doorbreekt.
Volgens zakenman Tja Foe Lee ligt het probleem niet bij de grondstof zelf, maar bij de structuur rond productie en export. Kokosolie-export vraagt om schaal, constante kwaliteit en betrouwbare levering. Juist daar wringt het in Suriname.
Gebrek aan schaal en consistentie
Een belangrijke reden is naar zijn zeggen dat de productie in Suriname kleinschalig en versnipperd is. Veel kokosolie wordt ambachtelijk geproduceerd, wat goed is voor de eigen markt, maar onvoldoende voor grote exportcontracten.
Internationale afnemers eisen uniforme kwaliteit, certificering en volumes die maandenlang gegarandeerd geleverd kunnen worden. Dat lukt met kleine producenten nauwelijks.
Daar komt bij dat verwerkingskosten, energieprijzen en logistiek in Suriname relatief hoog zijn. Transport naar Europa of Noord-Amerika maakt Surinaamse kokosolie duurder dan die van grote producentenlanden.
Sterke concurrentie op de wereldmarkt
Landen als de Filipijnen, Indonesië en Sri Lanka domineren de wereldmarkt voor kokosolie. Zij beschikken over enorme plantages, moderne verwerkingsfabrieken en goed georganiseerde exportketens.
Deze landen produceren niet alleen tegen lagere kosten, maar hebben ook internationale certificeringen en langdurige handelsrelaties.
Daarnaast investeren deze landen al jaren in marketing en branding. Surinaamse kokosolie mist die internationale zichtbaarheid.
Zonder gerichte investeringen, samenwerking tussen producenten en ondersteuning vanuit beleid blijft kokosolie vooral een lokaal product, terwijl het potentieel voor export grotendeels onbenut blijft.







