fbpx

Ingezonden| De noodzaak om na te denken over onderwijs na Covid-19

GFC NIEUWSREDACTIE- De Coronacrisis leidt tot allerlei discussies over ons onderwijs.

Slagen er te weinig leerlingen of juist teveel? Gaat de kwaliteit van ons onderwijs achteruit? Lopen leerlingen een achterstand op?

Welke functies heeft het onderwijs nu eigenlijk? Moet de hele structuur van ons onderwijs veranderen? Kortom, de Covid-19 pandemie die nauwelijks voorspelbaar is, dwingt ons om na te denken over het onderwijs.

Dat het vóór de Coronacrisis al rommelde in het onderwijs mag wel duidelijk zijn. In april 2019 vond het ministerie van Onderwijs het zelfs nodig een nationale dialoog over de toekomst van ons onderwijs te organiseren.

In al deze discussies gaat het echter vaak over aanpassingen van het bestaande onderwijs. Een krasse uitspraak als “de hele structuur van ons onderwijs moet veranderen” hoeft niet te betekenen dat er een andere visie aan de basis ligt.

Als de structuur verandert, zeg maar men voert een 11-jarige basisschool in, maar er is nog steeds een leerstofjaarklassensysteem, dan leidt de “hele structuur verandering” niet tot iets fundamenteel anders. De Coronacrisis heeft ons laten zien dat veranderingen in het onderwijs wel mogelijk zijn.

Ineens konden de klassen wél kleiner, kinderen hoefden niet elke dag naar school, plotseling was het kinderen wél toegestaan hun smartphones op school te gebruiken, noem maar op.

Wij moeten in onze nationale onderwijsvisie opnemen dat wij ons richten op de ontwikkeling van het kind; alle kinderen in Suriname, zonder uitzondering.

Kinderen zijn verschillend en moeten zich ook verschillend ontwikkelen. Dat betekent dat het onderwijs zich aan de ontwikkeling van het kind moet aanpassen en niet dat (een deel van de) kinderen op hun tenen moet lopen om zich aan het onderwijs aan te passen.

In het onderwijs na Covid-19 moeten wij af van het geven van cijfers. Meer dan de helft van onze cijferschaal is een onvoldoende: van 0,0 (afgerond naar 1 = “zeer slecht”) tot 5,4 (afgerond naar 5 = “bijna voldoende”).

Het cijfer 6 betekent “voldoende” en 7 betekent “ruim voldoende”, maar pas als je een 8 hebt, ben je “goed”. Met andere woorden, 75% van onze cijferschaal geeft een zeer slechte tot ruim voldoende prestatie aan.

Nog geen kwart van onze cijferschaal geeft echt succes aan. Geen wonder dat het gros van onze leerlingen tevreden is met een 6! Wat moet er dan in de plaats komen?

Als wij concreet en eenduidig formuleren welke leeruitkomsten kinderen moeten bereiken, dan moeten zij de gelegenheid krijgen te laten zien wat zij kunnen, dus niet een repetitie geven waarop zij moeten laten zien hoeveel zij hebben onthouden.

In het onderwijs na Covid-19 geven wij de kinderen de ruimte om hun eigen tempo en eigen ontwikkeling te volgen. Dat betekent dat blijvenzitten niet meer mogelijk is.

Het onderwijs moet zodanig ingericht zijn dat er flexibele groepen zijn; het leerstofjaarklassensysteem wordt afgeschaft.

Ik heb hier slechts enkele speerpunten van een nationale onderwijsvisie weergegeven. Het is niet mogelijk om zo een droom direct landelijk uit te voeren. Eerst moet er een breed draagvlak gecreëerd worden voor deze nieuwe nationale onderwijsvisie die een aantal uitgangspunten heeft waarmee de meeste mensen het eens zijn.

Bijvoorbeeld, kinderen zijn van nature nieuwsgierig en willen dingen weten en leren die de basis vormen voor hun ontwikkeling. Dit uitgangspunt wordt in de praktijk omgezet in een onderwijssysteem dat ontwikkelingsgericht onderwijs wordt genoemd.

We kunnen ons onderwijs niet succesvol inrichten zonder een nationale onderwijsvisie, omdat het “doorsijpelt” naar elk aspect van het onderwijs: de inhoud van het onderwijs, de manier waarop de organisatie wordt ingericht, de infrastructuur, het management, het ministerie zelf.

Een nationale onderwijsvisie is vooral noodzakelijk omdat het de manier waarop leerlingen en studenten leren bepaalt.

In de nieuwe onderwijsvisie staat de (psychologische, cognitieve en sociale) ontwikkeling van het kind centraal en wordt ervan uitgegaan dat onderwijs inclusief is zodat geen enkel kind buiten “de boot” valt (geen drop-outs), waardoor elk kind in Suriname een minimaal pakket aan competenties ontwikkelt dat het in staat stelt zich tot een kritische burger van het land te ontplooien.

Robby Morroy

Overige berichten